(1) Brief 734 aan Georges Kelner vóór 25.2.47   (2) Brief 735 aan Georges Kelner 26.2.47   (3) Brief 736 aan Georges Kelner 27.2.47
t Aan Borms t AAN BORMS t AAN BORMS
m
 
 

 

m
 
 

 

m
 
 

 

1 Ik heb u niet gekend, onbuigzame oude vriend,
maar dat gij onversaagd ons Vlaanderen hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
1 Ik heb u niet gekend, onbuigzame oude vriend,
maar dat gij onversaagd ons Vlaanderen hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
1 Ik heb u niet gekend, onbuigzame oude vriend,
maar dat gij onversaagd ons Vlaanderen hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
2 Voor enkele soldeniers, beroepen door den Staat,
is het u dan vergaan zooals het helden gaat.
En de Regent keek toe, stilzwijgend, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
2 Voor enkele soldeniers, beroepen door den Staat,
is het u dan vergaan zooals het helden gaat.
En de Regent keek toe, stilzwijgend, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
2 Voor enkele soldeniers, beroepen door den Staat,
is het u dan vergaan zooals het helden gaat.
En de Regent keek toe, stilzwijgend, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
3   3 Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch het Vlaamsche volk noch uwen naam onteert [sic].
3 Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch uw dierbaar volk noch uwen naam onteerd.
4 Men kon, of wilde of durfde u niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo*, dat is losgebrand, tikfout ‘saldo’
ons allen heeft geraakt, begrijpt heel Vlaanderland.
4 Dat kon, dat wilde of dorst men niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dat voelt heel Vlaanderland.
4 Dàt kon, dat wilde of dorst men niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dat voelt heel Vlaanderland.
5
 

 

5
 

 

5 En dat geen enkele stem voor u is opgegaan
toen ieder in zijn geest u voor dien muur zag staan.
De Paus heeft niet geroerd, wij allen zwegen stil
als was die gruweldaad des Heeren eigen wil.
6

 

6 6 Eenieder had te doen en heeft zich afgewend
van dezen door de pest geslagen krukkenvent.
O lafheid ongehoord, o schandelijk verraad
waarvan het merk, gebrand, ons op het voorhoofd staat.
7
 
 

 

7
 
 

 

7
 
 

 

8 Al werd uw ouden romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van u resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderen’s eergevoel, met staatsie bijgezet.
8 Al werd uw ouden romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van u resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderen’s eergevoel, met staatsie bijgezet.
8 Al werd uw ouden romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van U resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderens eergevoel, met staatsie bijgezet.
9
 
 

 

9
 
 

 

9
 
 

 

10 Envoi:
Gij dacht, O lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor eeuwig was voorbij.
Nu weet dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
10 Opdracht:
Gij dacht, O lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor eeuwig was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
10 Opdracht:
Gij dacht, O lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor eeuwig was voorbij.
Weet nu dan [dat] uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
o Willy o 25.2.1947
Willy
o 26/2/1947
Willy

 
 
  (4) Brief 737 aan Georges Kelner 1.3.47   (5) Brief 741 aan Henri Dirkx 12.3.47   (6) Brief 742 aan Jan Borms 15.3.47
t AAN BORMS t Borms t BORMS
Aan zijn zoon.
m
 
 

 

m
 
 

 

m
 
 

 

1 Ik heb u niet gekend, onbuigzame oude vriend,
maar dat gij onversaagd ons Vlaanderen hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
1 Gij zijt mij vreemd geweest, onbuigzame oude vriend,
maar dat gij onversaagd ons Vlaanderen hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
1 Gij zijt mij vreemd geweest, onbuigzame oude vriend,
maar dat gij onze leus manmoedig hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
2 Voor rechters-soldeniers, beroepen door den Staat,
is het u dan vergaan zooals het helden gaat.
En de Regent keek toe, stilzwijgend, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
2 Voor rechters, soldeniers beroepen door den Staat,
is het u dan vergaan zooals het helden gaat.
En de Regent keek toe, stilzwijgend, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
2 Voor rechters, soldeniers beroepen door den Staat,
is het u dan vergaan zooals het helden gaat.
En de Regent keek toe, afwezig1, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
3 Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch uw dierbaar volk noch uwen naam onteerd.
3 Uw gratie lag gereed voor ‘t lenigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch uw dierbaar volk noch uwen naam onteerd.
3 Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch uw dierbaar volk noch uwen naam onteerd.
4 Dàt kon, dàt wilde of dorst men niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dat voelt heel Vlaanderland.
4 Dát kon, dát wilde of dorst men niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dát voelt heel Vlaanderland.
4 Dàt kon, dàt wilde of dorst men niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dàt voelt heel Vlaanderland.
5 En dat geen enkele stem tot u is opgegaan
toen ieder in zijn geest u voor dien muur zag staan.
De Paus heeft niet geroerd, wij allen zwegen stil
als was die gruweldaad des Heeren eigen wil.
5 En dat geen enkele stem tot u is opgegaan
toen ieder in zijn geest u voor dien muur zag staan!
De Paus heeft niet geroerd, wij allen zwegen stil
als was die gruweldaad des Heeren eigen wil.
5 En dat geen enkele stem tot u is opgegaan
toen ieder in zijn geest u voor dien muur zag staan.
De Paus heeft niet geroerd, wij allen zwegen stil
als was die gruweldaad des Heeren eigen wil.
6 Eenieder zwoer bij God: ‘ik heb hem niet gekend,
dien ouden,door de pest geslagen krukkenvent.’
O lafheid ongehoord, oniet te delgen schand
waarvan ‘t infame merk ons op het voorhoofd brandt.
6 Eenieder zwoer bij God: ‘ik heb hem niet gekend,
dien ouden, door de pest geslagen krukkenvent.’
O lafheid ongehoord, o niet te delgen schand
waarvan ‘t infame merk ons op het voorhoofd brandt.
6 Eenieder zwoer bij God: ‘ik heb hem niet gekend,
dien ouden, door de pest geslagen krukkenvent.’
O lafheid ongehoord, o niet te delgen schand
waarvan ‘t infame merk ons op het voorhoofd brandt.
7
 
 

 

7
 
 

 

7
 
 

 

8 Al werd uw ouden romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van U resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderen’s eergevoel, met staatsie bijgezet.
8 Al werd uw ouden romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van U resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderen’s eergevoel, met staatsie bijgezet.
8 Al werd uw ouden romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van U resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderens eergevoel, met staatsie bijgezet.
9
 
 

 

9
 
 

 

9
 
 

 

10 Opdracht:
Gij dacht, O lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor eeuwig was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
10 Opdracht:
Gij dacht, O lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor eeuwig was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
10 Opdracht:
Gij dacht, O lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor immer2 was voorbij. 
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
o 1 Maart 1947 o Willem Elsschot
12 maart 1947
o Willem Elsschot
15.3.1947
1 handgeschreven correctie voor ‘stilzwijgend’; 2 handgeschreven correctie voor ‘eeuwig’

 
  (7) Brief 743 aan Frans Smits 16.3.47; doorslag van versie 6   (8) Brief 745 aan Johan Daisne 18.3.47   (9) Brief 746 aan Frans Smits 20.3.47
t BORMS
(doorgehaalde opdracht ‘Aan zijn zoon’)
t BORMS t BORMS
m
 
 

 

m
 
 

 

m
 
 

 

1 Gij zijt mij vreemd geweest, vermetele oude vriend,
maar dat gij onze leus manmoedig hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
1 Gij zijt mij vreemd geweest, vermetele oude vriend,
maar dat gij onze leus manmoedig hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
1 Gij zijt mij vreemd geweest, vermetele oude vriend,
maar dat gij onze leus manmoedig hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
2 Voor rechters, soldeniers beroepen door den Staat,
is het u dan vergaan zooals het helden gaat.
En de Regent keek toe, afwezig, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
2 Voor rechters, soldeniers beroepen door den Staat,
is het u dan vergaan zooals het helden gaat.
En de Regent keek toe, afwezig, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
2 Voor rechters, soldeniers beroepen door den Staat,
is het u dan vergaan zooals het helden gaat.
En de Regent keek toe, afwezig, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
3 Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch uw dierbaar volk noch uwen naam onteerd.
3 Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch uw dierbaar volk noch uwen naam onteerd.
3 Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch uw dierbaar volk noch uwen naam onteerd.
4 Dàt kon, dàt wilde of dorst men niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dàt voelt heel Vlaanderland.
4 Dàt kon, dàt wilde of dorst men niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dàt voelt heel Vlaanderland.
4 Dàt kon, dàt wilde of dorst men niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dàt voelt heel Vlaanderland.
5 En dat geen enkele stem tot u is opgegaan
toen ieder in zijn geest u voor dien muur zag staan.
De Paus heeft niet geroerd, zijn dienaars zwegen stil
als was die gruweldaad des Heeren eigen wil.
5 En dat geen enkele stem tot u is opgegaan
toen ieder in zijn geest u voor dien muur zag staan.
De Paus heeft niet geroerd, zijn dienaars zwegen stil
als was die gruweldaad des Heeren eigen wil.
5 En dat geen enkele stem tot u is opgegaan
toen ieder, in zijn geest, u voor dien muur zag staan.
De Paus heeft niet geroerd, zijn dienaars zwegen stil
als was die gruweldaad des Heeren eigen wil.
6 Eenieder zwoer bij God: ‘ik heb hem niet gekend,
dien ouden, door de pest geslagen krukkenvent.’
O lafheid ongehoord, o niet te delgen schand
waarvan ‘t infame merk ons op het voorhoofd brandt.
6 Eenieder zwoer bij God: ‘ik heb hem niet gekend,
dien ouden, door de pest geslagen krukkenvent.’
O lafheid ongehoord, O niet te delgen schand
waarvan ‘t infame merk ons op het voorhoofd brandt.
6 Eenieder zwoer bij God: ‘ik heb hem niet gekend,
dien ouden, door de pest geslagen krukkenvent.’
O lafheid ongehoord, O niet te delgen schand
waarvan ‘t infame merk ons op het voorhoofd brandt.
7
 
 

 

7
 
 

 

7
 
 

 

8 Al werd uw ouden romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van U resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderens eergevoel, met staatsie bijgezet.
8 Al werd uw ouden romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van U resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderens eergevoel, met staatsie bijgezet.
8 Al werd uw ouden romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van U resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderen’s eergevoel, met staatsie bijgezet.
9

 

9 Voorop de Kardinaal, gedost in groot ornaat.
Herzegend en verkist zijt gij zijn kameraad.
Hij zal, na ‘t eersaluut, lithurgisch henen gaan:
en zoo heeft dan het Land posthuum zijn plicht gedaan.
9 Voorop de kardinaal, gedost in volornaat.
Herzegend en verkist zijt gij zijn kameraad.
Hij zal, na ‘t eersaluut, lithurgisch henengaan:
en zoo heeft dan het land posthuum zijn plicht gedaan.
10 Opdracht:
Gij dacht, O lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor immer was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
10 Opdracht:
Gij dacht, O lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor immer was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
10 Opdracht:
Gij dacht, O lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor immer was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
o 16 Maart 1947
Willem Elsschot
o 18 Maart 1947
Willem Elsschot
o 18.3.1947
Willem Elsschot

 
 
  (10) Poëziealbum Carla Walschap 8.4.47   (11) Versie (10) na verbetering (vóór 26.6.47)   (12) Verzameld werk 199214
t Borms t Borms t Borms
m ‘Ik zag naar de plaats des Gerichts: daar was de boosheid.’
Prediker III:16
‘Al uwe minnaars hebben u vergeten.’
Jeremia XXX:14
m ‘Ik zag naar de plaats des Gerichts: daar was de boosheid.’
Prediker III:16
‘Al uwe minnaars hebben u vergeten.’
Jeremia XXX:14
m ‘Ik zag naar de plaats des gerichts: daar was de boosheid.’
Prediker III:16
‘Al uwe minnaars hebben u vergeten.’
Jeremia XXX:14
1 Gij zijt mij vreemd geweest, vermetele oude vriend,
maar dat gij onze leus manmoedig hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
1 Gij zijt mij vreemd geweest, vermetele oude vriend,
maar dat gij Neerlands vaan manmoedig hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
1 Gij zijt mij vreemd geweest, vermetele oude vriend,
maar dat gij Neerlands vaan manmoedig hebt gediend
dát weet ik niettemin zoals ‘t een ieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
2 Voor rechters, soldeniers beroepen door den Staat,
is het u dan vergaan zooals het dapperen gaat.
En de Regent keek toe, afwezig, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
2 Voor rechters, soldeniers beroepen door den Staat,
is het u dan vergaan zooals het dapperen gaat.
En de Regent keek toe, afwezig, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
2 Voor rechters-soldeniers, beroepen door de Staat,
is het u dan vergaan zoals het dapperen gaat.
En de Regent keek toe, stilzwijgend, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
3 Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch uw dierbaar volk noch uwen naam onteerd.
3 Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch uw dierbaar volk noch uwen naam onteerd.
3 Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch uw dierbaar volk noch uwe naam onteerd.
4 Dát kon, dát wilde of dorst men niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dát voelt heel Vlaanderland.
4 Dát kon, dát wilde of dorst men niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat finaal is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dát voelt heel Vlaanderland.
4 Dat kon, dat wilde of dorst men niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat finaal is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dat voelt heel Vlaanderland.
5 En dat geen enkele stem tot u is opgegaan
toen ieder, in zijn geest, u voor dien muur zag staan.
De Paus heeft niet geroerd, zijn dienaars zwegen stil
als was die snoode daad des Heeren eigen wil.
5 En dat geen enkele stem tot u is opgegaan
toen ieder, in zijn geest, u voor dien muur zag staan.
De Paus heeft niet geroerd, wij allen zwegen stil
als was die snoode daad des Heeren eigen wil.
5 En dat geen enkele stem tot u is opgegaan
toen ieder in zijn geest u voor die muur zag staan.
De Paus heeft niet geroerd, wij allen zwegen stil
als was die snode daad des Heren eigen wil.
6 Eenieder zwoer bij God: ‘ik heb hem niet gekend,
dien ouden, door de pest geslagen krukkenvent.’
O lafheid ongehoord, O niet te delgen schand
waarvan ‘t infame merk ons op het voorhoofd brandt.
6 Eenieder zwoer bij God: ‘ik heb hem niet gekend,
dien ouden, door de pest geslagen krukkenvent.’
O lafheid ongehoord, O niet te delgen schand
waarvan ‘t infame merk ons op het voorhoofd brandt.
6 Een ieder zwoer bij God: ‘Ik heb hem niet gekend,
die oude, door de pest geslagen krukkenvent.’
O lafheid ongehoord, o niet te delgen schand,
waarvan ‘t infame merk ons op het voorhoofd brandt.
7   7 Nog glom een laatste sprank: Oranjes vrome telg
verheft des Zwijgers stem en schut dien stoeren belg.
Uw nood, helaas, drong niet tot in de troonzaal door:
Wie eenmaal is gedoemd vindt nergens meer gehoor.
7 Nog glom een laatste sprank: Oranje’s vrome telg
verheft des Zwijgers stem en schut die stoere Belg.
Uw nood, helaas, drong niet tot in de troonzaal door:
wie eenmaal is gedoemd vindt nergens meer gehoor.
8 Al werd uw ouden romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van u resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderens eergevoel, met staatsie bijgezet.
8 Al werd uw ouden romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van u resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderens eergevoel, met staatsie bijgezet.
8 Al werd uw oude romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van u resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderens eergevoel, met staatsie bijgezet.
9 Voorop de Kardinaal, gedost in vol ornaat.
Herzegend en verkist zijt gij zijn kameraad.
Hij zal, na ‘t eersaluut, lithurgisch henengaan:
en zoo heeft dan het Land posthuum zijn plicht gedaan.
9 Voorop de Kardinaal, gedost in vol ornaat.
Herzegend en verkist zijt gij zijn kameraad.
Hij zal, na ‘t eersaluut, lithurgisch henengaan:
en zoo heeft dan het Land posthuum zijn plicht gedaan.
9 Voorop de Kardinaal, gedost in vol ornaat.
Herzegend en verkist zijt gij zijn kameraad.
Hij zal, na ‘t eersaluut, liturgisch henengaan:
en zo heeft dan het Land postuum zijn plicht gedaan.
10 Opdracht:
Gij dacht, O lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor immer was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
10 Opdracht:
Gij dacht, O lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor immer was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
10 Opdracht:
Gij dacht,  lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor immer was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord,
zolang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
o Antwerpen, 8 april 1947
A. De Ridder (W.E.)
o Antwerpen, 8 april 1947
A. De Ridder (W.E.)
o Antwerpen 1947