Bijlage 2: Twee 'apocriefe' versies van het Bormsgedicht
 
 

De beruchte versie uit Rommelpot, gepubliceerd op 9.4.49, en allicht een van de vroegste versies (Elsschot 1993:753):

AAN BORMS

Ik heb u niet gekend, onbuigzame oude vriend,
maar dat gij onversaagd ons Vlaanderen hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die in dit Vaderland zijn brood in schaamte eet.
Door enkele soldeniers, beroepen door den Staat,
is het u dan gegaan zooals het helden gaat.
En de Regent keek toe, stilzwijgend, onverstoord,
maar nam de pen niet op, voor ‘t schrijven van één woord.
Men kon, of wilde, of durfde u niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat is losgebrand,
ons allen trof, begreep heel Vlaanderland.
Al werd uw ouden romp in aller ijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van u resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderen’s eergevoel, met staatsie bijgezet.

Envoi
Gij dacht, O lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie, voor eeuwig was voorbij.
Weet nu dan uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
WILLEM.


De verschillen met versie (1), brief 734 aan Georges Kelner, worden hieronder aangeduid:

Aan Borms

Ik heb u niet gekend, onbuigzame oude vriend,
maar dat gij onversaagd ons Vlaanderen hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet.
Voor enkele soldeniers, beroepen door den Staat,
is het u dan vergaan zooals het helden gaat.
En de Regent keek toe, stilzwijgend, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
Men kon, of wilde of durfde u niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo*, dat is losgebrand, tikfout ‘saldo’
ons allen heeft geraakt, begrijpt heel Vlaanderland.
Al werd uw ouden romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van u resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderen’s eergevoel, met staatsie bijgezet.
Envoi:
Gij dacht, O lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor eeuwig was voorbij.
Nu weet dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt of bedelt bij de poort.
Willy
 
 



 
 

Een versie die begin jaren vijftig in donker Antwerpen circuleerde, en die op 12.4.52 in het Vlaams-nationaal weekblad Opstanding verscheen. Van de Reijt schrijft: ‘Door de toevoeging van het motto, maar het ontbreken van de zevende strofe moet ze gesitueerd worden tussen 21.3.1947 en 8.4.1947; de versie negeneneenhalf dus.’ (Elsschot 1993: 665). Hieronder worden de verschillen t.o.v. versie (9), brief 746 aan Frans Smits, aangeduid:

Ik zag naar de plaats des gerichts: daar was de boosheid. (Prediker 3/16)

Al uw minnaars hebben u vergeten (Jeremia 30/14)

BORMS

Gij zijt mij vreemd geweest, vermetele oude vriend,
maar dat gij onze leus manmoedig hebt gediend
dat weet ik niettemin, zooals ‘t eenieder weet
die nu, in dit ons land, zijn brood in schaamte eet.
Voor rechters, soldeniers, beroepen door de Staat,
is het u dan vergaan zooals het dapperen gaat.
En de Regent keek toe, afwezig, onverstoord,
maar nam zijn pen niet op voor ‘t schrijven van één woord.
Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek.
Goddank, gij hebt dat tuig misprijzend genegeerd
en noch uw dierbaar volk, noch uwen naam onteerd.
Dàt kon, dàt wilde of dorst men niet verstaan.
Men riep het peloton en ‘t peloton trad aan.
Maar dat het salvo, dat finaal is losgebrand,
ons allen heeft geraakt, dàt voelt heel Vlaanderland.
En dat geen enkele stem tot u is opgegaan
toen ieder in zijn geest u voor die muur zag staan.
De Paus heeft niet geroerd, wij allen zwegen stil
als was die snode daad des Heren eigen wil.
Eenieder zwoer bij God: ‘ik heb hem niet gekend,
dien ouden, door de pest geslagen krukkenvent.’
O lafheid ongehoord, o niet te delgen schand
waarvan ‘t infame merk ons op het voorhoofd brandt.
Al werd uw oude romp in allerijl vermoord,
de echo van uw stem wordt door geen schot gesmoord.
En wat van u resteert wordt éénmaal, naar de Wet
van Vlaanderen’s eergevoel, met staatsie bijgezet.
Voorop de Kardinaal, gedost in vol ornaat.
Herzegend en gekist zijt gij zijn kameraad.
Hij zal, na ‘t eersaluut, lithurgisch henengaan.
En zo heeft dan het land posthuum zijn plicht gedaan.

Opdracht:
Gij dacht, o lijdzaam volk, dat ‘t gruwelijk getij
der oude tyrannie voor immer was voorbij.
Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord
zoo lang gij stamelend bidt en bedelt bij de poort.
 
18-3-1947
Willem Elschot