Bijlage 4: Verwante gedichten



Geuse Vesper

of

Siecken-Troost

Voor de Vierentwintigh.

Op de wijse: Brande Partinice.

I.

Hadt hy Hollandt dan ghedragen, Onder ‘t hart, Tot sijn afgeleefde dagen, Met veel smart, Om ‘t meyneedigh swaert te laven, Met sijn bloet, En te mesten kray en raven, Op sijn goet?
II.
Maer waerom den hals gekorven? Want sijn bloet Was in d’aders schier verstorven: In sijn goet Vontmen noyt de Pistoletten Van ‘t verraet, Wtghestroyt, om scharp te wetten ‘s Vollecks haet.
III.
Gierigheyt en wreetheyt beyde, Die het swaert Grimmigh ruckten uyt der scheyde, Nu bedaert, Suchten: Wat kan ons vernoegen Goet en bloet? Och, hoe knaecht een eeuwigh wroegen Ons ghemoedt!
IV.
Weest te vreen, haelt Predikanten, West en Oost: Gaet en soeckt by Dortsche santen Heyl en troost: ‘T is vergeefs, de Heer koomt kloppen, Met sijn Woort. Niemandt kan de wellen stoppen Van die Moort.
BESLUYT.
Spiegelt, spiegelt u dan echter, Wie ghy zijt: Vreest den worm, die desen rechter ‘t Hart afbijt. Schent uw’ handen aen geen Vaders, Dol van haet. Scheldt gheen Vroomen voor verraders Van den staet.  
 
Joost van den Vondel (Vondel 1929:339-340)

ca. 1631 ?



 
 

Van der Lubbe
Aan Simon Vestdijk
 

Jongen, met je wankel hoofd,
aan de beul vooruit beloofd,
toen je daar je lot verbeidde
stond ik wenend aan je zijde.

De operette duurde lang:
van het wraakhof naar ‘t gevang,
van ‘t gevang weer naar het hof
in de boeien van den mof.

Veertig haarden dorst je ontsteken,
duizend haarden zou men wreken,
maar je beulen stonden paf
toen je zweeg tot in je graf.

Dokters, rechters, procureuren,
allen zijn je komen keuren,
allen vonden je perfect,
en toen heeft men je genekt.

‘t Had de Koningin behaagd
dat je gratie werd gevraagd,
maar voor zulk een vieze jongen
wordt meestal niet aangedrongen.

Lang heeft men geprakkezeerd
wat een mens het meest onteert,
hangen, branden, vierendelen,
of gewoon als varken kelen.

Toen heeft men het mes gekozen
om je toch eens te doen blozen,
want zo’n gala met wat bloed
doet een hakenkruiser goed.

Jongenlief, zoals je ziet,
Leiden krijgt je resten niet.
Hitler laat zich niets ontrukken
want hij houdt van die twee stukken.

Holland vraagt nu onverdroten
of je niets werd ingespoten,
maar die vuige, laffe moord
vindt het minder ongehoord.

Laat het stikken in zijn centen,
in zijn kaas en in zijn krenten,
in zijn helden, als daar zijn:
Tromp, De Ruyter en Piet Hein.

Moog je geest in Leipzig spoken
tot die gruwel wordt gewroken,
tot je beulen, groot en klein,
door den Rus vernietigd zijn.
 

Antwerpen 1934
Willem Elsschot (Elsschot 1992:762-763)