Denkt aleer ge doende zijt

En doende, denkt dan nog.

G. Gezelle

 

Lieven Vandelanotte

LOKO

Sociale Raad

's Meiersstraat 5

3000 LEUVEN

Koestraat 176

8800 Rumbeke

Telefoon: (051) 20 63 57

Minderbroedersstraat 15

Kamer 00.134

3000 Leuven

Telefoon: (016) 32 08 31

lieven@kotnet.org

http://welcome.to/lieven.vandelanotte

thuisadres

 

 

studentenadres

 

 

 

emailadres

weblocatie

 

 

 

onderwerp

Leuven,

 

Uw memo "Wooncultuur op het Justus Lipsiuscollege"

1999-12-17

 

 

 

Geachte leden van de Sociale Raad

Als ouderejaarsbewoner van het Justus Lipsiuscollege was ik bepaald verontwaardigd bij het lezen van uw "memo" over de wooncultuur op onze peda naar aanleiding van wat u "via diverse kanalen" vernomen blijkt te hebben. De voorbije drie academische jaren, plus enkele maanden, heb ik de peda steeds ervaren als een aangename studeer- en leefomgeving waarin studenten, subregenten, president, technisch en onderhoudspersoneel harmonieus samenleven. Ik wil in deze brief een aantal pertinente misvattingen en loze verwijten uit uw niet ondertekende en ongedateerde brief in eigen naam ontkrachten.

U stelt zonder meer dat onze residentie niet gemengd is, met als argument dat de "leefeenheden zelf" niet gemengd zijn. Dit is een van de talrijke punten in uw brief waaruit overduidelijk blijkt dat u zich nooit de moeite getroost hebt u volledig te informeren over de inrichting van onze peda. Hou u vast aan de takken van de bomen, want hier komt een moeilijk te verteren waarheid als een koe: er zijn helemaal geen leefeenheden op de Just! Onze peda vormt één leefgemeenschap die samen eet, studeert en zich ontspant. Dat de meisjes tot nader order in afzonderlijke gangen wonen, heeft welbepaalde redenen.

Zoals u had kunnen weten, is het gemengd worden op expliciet verzoek van de Raad van Studentenvoorzieningen, en betrekkelijk snel, uitgewerkt in de loop van het vorige academiejaar. Over de grond van de zaak kan (boeiend) gediscussieerd worden. Ikzelf ben een voorstander van gemengd wonen, maar ik breng beslist begrip op voor de mening van sommige medestudenten dat de eigen sfeer van een jongenspeda een verdedigbaar goed is. Ik wijs er in dit verband op dat het Charter voor wooncultuur duidelijk niet kiest voor eenheidsworst en eigenheid van peda's onderling niet onmogelijk wil maken. Dat in deze context enkel gepleit wordt voor een voldoende aanbod aan (niet-gesubsidieerde) meisjeskamers is bepaald opmerkelijk.

De concrete overschakeling naar een gemengde vorm van samenwonen is niet zo eenvoudig te realiseren. In overleg met de Raad voor Studentenvoorzieningen was afgesproken de meisjes in afzonderlijke gangen onder te brengen, wat mij op het eerste gezicht op dergelijk korte termijn ook de enige mogelijkheid leek; de benodigde aanpassingen op sanitair vlak zouden anders moeilijk tijdig gerealiseerd kunnen worden. Bovendien lijkt het mij normaal dat voor een eerste jaar de groep meisjes klein gehouden wordt, teneinde een geleidelijke en vlotte overgang te bewerkstelligen. Mochten de meisjes meteen verspreid kamers gekregen hebben, zou dit een effect van contingentering teweeg gebracht hebben: elke gang zijn meisje of twee meisjes. Het spreekt evenwel voor zich dat naarmate het aandeel vrouwelijke bewoners toeneemt, de gangen "heterogeen" bewoond zullen worden door jongens en meisjes. Er zij ten slotte op gewezen dat de meisjes die hier dit academiejaar wonen, via de bezoekdagen vooraf geïnformeerd waren over de concrete uitwerking van het gemengd worden van de Just.

Uw uitval naar ons zogenaamd "ultramontaans bastion" is in het licht van deze achtergronden werkelijk bespottelijk – of dacht u dat de Just bevolkt werd door Godsvrezende dogmatische kwezels? – en uw concrete aanbeveling – of is het een bevel? – om de meisjes alsnog te rantsoeneren per gang is zonder meer absurd en praktisch niet haalbaar. Wel is het bijzonder interessant op te merken dat u verwijst naar de "wensen van een overgrote meerderheid van de studenten". Nog los van de hierboven aangehaalde praktische bezwaren voor een gemengde bewoning van elke gang, zou het mij uitermate boeien te weten langs welke "kanalen" u meent weet te hebben van de wensen van de bewoners van onze peda. Mij is in elk geval nooit iets gevraagd, de meisjes evenmin voor zover ik weet.

De Woonwijzer waar u zoveel misbaar over maakt, is niet bepaald het meest milieuvriendelijk medium om essentiële informatie over het leven op het college over te brengen. Het is op de Just een traditie dat studenten (per studiegebied) in het begin van het academiejaar uitgenodigd worden bij de president om uitvoerig ingelicht te worden over zaken zoals de gemeenschapsruimten, de afvalverwerking, de werking van de telefooncentrale, de brandveiligheidsvoorzieningen en dies meer. Bovendien beschikken de studenten over een foldertje met de belangrijkste praktische informatie. De informatie in de Woonwijzer, anderzijds, is in details foutief – zo is Mark Ritzen dit jaar geen subregent, zelfs geen bewoner, van onze peda – en globaal genomen misleidend, aangezien de informatie duidelijk afgestemd is op peda's die werken met leefeenheden en gangvertegenwoordigers. De formule die op onze peda gebruikt wordt, garandeert een persoonlijk informeel contact heel vroeg in het academiejaar, en bespaart bovendien een pak papier.

De passage over onze "strikte huisregels" bewijst nogmaals – en geheel ten overvloede – dat u niet op de hoogte bent van het reilen en zeilen op onze peda, en dat u het Charter voor wooncultuur liever als een dictaat dan als een uitgangspunt voor discussie beschouwt. Elke student kan op elke dag een sleutel van de nachtdeur van het college bekomen. Laat ik dat nog even herhalen: elke student op elke dag. U zult het feit dat een sleutel tout court gevrààgd moet worden wellicht willen zien als betutteling, ik zie het evenwel als begeleiding en goedbedoelde bezorgdheid. Studeren – dit zou u bij Sora toch echt wel moeten weten – kost namelijk geld, veel geld, en het zal u niet ontgaan zijn dat de Just een gesubsidieerde peda is. Als de subregenten merken dat iemand – en dan in het bijzonder een eerstejaarsstudent – wel erg vaak op pad gaat, kunnen zij deze persoon aanspreken om hem in alle gemoedelijkheid en informaliteit er toch attent op te maken dat nachtelijke escapades bijzonder aangenaam kunnen zijn – een must misschien wel, maar dat het einddoel van een eerste jaar aan de universiteit toch ligt in het behalen van bevredigende studieresultaten. Misschien vindt u dat een eerste jaar aan de universiteit gerust één lange braspartij – maar ook een hoop weggegooid geld – mag zijn, ik vind dat alvast niet, en met mij ongetwijfeld vele universitaire financierders – ik bedoel dus, ouders. Het staat de individuele student natuurlijk nog steeds vrij om sleutels te blijven vragen en te krijgen, maar ik kan u verzekeren dat de gemiddelde student ook verstand genoeg heeft om maat te houden. Bovendien stelt zich natuurlijk opnieuw de vraag of het u eigenlijk hoegenaamd iets kan schelen wat de bewoners van het college van deze sleutelregeling vinden.

Uw insinuatie als zou er op onze peda te weinig gelegenheid zijn tot ontspanning, sociaal contact en participatie, raakt kant noch wal. Wij eten samen in de Alma, wij hebben allerlei gemeenschappelijke ruimtes tot onze beschikking (TV-zalen, ontspanningsruimte met biljart- en pingpongtafels, krantenzaal, en dergelijke meer) en wij organiseren allerlei socioculturele en sportieve activiteiten, gaande van een cocktailavond over een kerstfeestje en een quiz tot een muziekavond, geregelde sportieve confrontaties of een barbecue. Bovendien hebben we niet alleen inspraak via de werkgroepen – ikzelf ben bijvoorbeeld de verantwoordelijke van de werkgroep Quiz – maar kunnen we steeds bij subregenten en president terecht voor op- en aanmerkingen van uiteenlopende aard. Over de aanspreekbaarheid en bereidwilligheid van deze mensen kan geen twijfel bestaan – ten minste niet bij wie de moeite doet onze peda te leren kennen. Zij nemen ook zelf het initiatief om onze mening te leren kennen. Zo werden er bij het begin van het academiejaar – op hogervernoemde bijeenkomsten bij de president – stemmingen gehouden over concrete regelingen voor TV-zalen en fietsenstallingen.

De verwijzing naar hoge kosten voor herstellingen binnen ons college doet mij de wenkbrauwen fronsen. Het college is niet zomaar een grote, recente betonblok maar een oud en beschermd neogotisch gebouw. Het spreekt voor zich dat dit bepaalde meerkosten genereert; hoe dat ons ten laste gelegd kan worden, ontgaat mij ten enenmale. Bovendien vind ik alle verwijzingen naar kosten onvermijdelijk nogal futiel in het licht van de farce die zich vorig jaar op ons college heeft afgespeeld – ik heb het hier over de blijde intrede en stille aftocht van het secretariaat van Studentenhuisvesting, waarbij ongetwijfeld erg slordige bedragen in rook zijn opgegaan. Aangezien wij door de centralisatie van de klusjesdienst niet langer exclusief over een (deeltijdse) klusjesman kunnen beschikken, is het verder niet meer dan normaal dat wij wanneer nodig een beroep doen op de centrale dispatch. Als vanuit die dienst niet snel wordt ingespeeld op gemelde defecten – zoals u in het Charter kunt lezen (p. 6) dragen snelle herstellingen significant bij tot een aangename atmosfeer – is het niet meer dan normaal dat meldingen herhaald worden.

Uw laffe halfuitgesproken uitval naar de persoon van de president ("de personalia die hierin ongetwijfeld een heel grote rol spelen") is zonder meer laag bij de gronds. Door van uw bemerkingen een spelletje beledigen te maken, roept u bij mij onvermijdelijk vragen op over het sérieux waarvan u als studentenvertegenwoordigers zou moeten blijk geven. Uw wel bijzonder loyale verwijzing naar de Raad voor Studentenvoorzieningen noodzaakt bovendien de vraag naar de instigator(en) van uw memo. Is het omdat het Justus Lipsiuscollege een RvS-residentie is, dat zij geen enkele eigenheid mag bewaren? Is het nooit in u opgekomen dat wat u meteen in een negatief daglicht probeert te stellen, sommige studenten en hun ouders precies als kwaliteiten voorkomen? En vooral, is het u ontgaan dat het voor u o zo belangrijke Charter voor wooncultuur net niet oproept tot een cultuur van de eenheidsworst?

De heel hautaine en betweterige teneur van uw brief doet mij finaal de vraag stellen welke belangen u als Sociale Raad eigenlijk pretendeert te verdedigen. Het zou me sterk verbazen als dat de belangen van de student zouden zijn; onze mening laat u klaarblijkelijk koud aangezien u zich niet eens de moeite getroost hebt het college ter plaatse beter te leren kennen. Moet ik nu besluiten dat de Sociale Raad zich plots en spontaan ontpopt heeft tot slippendrager van de Raad van Studentenvoorzieningen? Ik hoop alvast van niet, en zie graag uw antwoord tegemoet. Ik ben uiteraard ook steeds bereikbaar voor verder commentaar.

Met beleefde groeten

 

 

 

 

Lieven Vandelanotte