Voor 't eten van uw drek.
Conceptie en receptie van Elsschots Bormsgedicht
Lieven Vandelanotte
Dit is de tekst van een scriptie gemaakt in de tweede
kandidatuur bij professor Hugo
Brems. De tekst dateert van december 1997.
De bijlagen zijn nu ook beschikbaar.
- Inhoudstafel bij deze scriptie -
0
Inleiding
Het gedicht ‘Borms’, dat Willem Elsschot in de loop van 1947
schreef, is ongetwijfeld een van de meest controversiële geschriften
uit de afgelopen eeuw in België. Door de stellingname in dit gedicht
worden nu eenmaal een aantal belangrijke spanningsvelden uit de hedendaagse
Belgische samenleving scherp opgeroepen: verzet-collaboratie, activisme-passivisme
(maximalisten-minimalisten), Vlamingen-Walen, amnestie-repressie, katholieken-vrijzinnigen.
In deze scriptie zal ik om te beginnen Willem Elsschot
als dichter situeren in het Vlaamse literaire landschap van de twintigste
eeuw. Vervolgens wil ik de historische context van het gedicht – met name
de figuur van August Borms – toelichten. Het belangrijkste gedeelte van
dit werk bestaat uit twee luiken. Enerzijds tracht ik aan de hand van Elsschots
briefwisseling het ontstaan van het gedicht te schetsen. Hieraan wordt
een bespreking van het ‘resultaat’ – de definitieve versie – gekoppeld.
Anderzijds gaat mijn aandacht naar de receptie van het gedicht, met name
in literaire kringen.
1
Context
1.1 Elsschot
als dichter: van wolkendreigendheid tot drek
Onder invloed van Pol de Mont, leraar Nederlands aan het
Antwerpse atheneum, beginnen de jonge Alfons De Ridder en enkele klasgenoten
gedichten te schrijven in de geest van de Tachtigers. Ary Delen, een van
hen, herinnert het zich als volgt:
En het onvermijdelijke gebeurde: we gingen zelf verzen
schrijven. Pastiches natuurlijk van Kloos en Gorter. En levenswijs dat
we waren! (Van Vlierden 1960:12)
Een aantal van deze gedichten is vormelijk gebrekkig en inhoudelijk
onbenullig (‘Met tinten bekladderd / de hemelboog. / Leeuwerik fladdert
/ heel omhoog; (...)’ – Elsschot 1979:28), maar andere lopen dan weer heel
vlot en zijn, als ‘allerindividueelste expressie van een allerindividueelst
gevoel’, wel te waarderen:
‘k Ontwaak in ‘t rillerige, vale licht,
dat bleke morgend over de aarde giet:
mijn arme hoofd, dat stil ternederligt
is bang en leeg, en waagt zijn peinzen niet. (...) (Elsschot
1979:51)
Titels als ‘Openbaring’, ‘Avond’ en ‘Droom!’; samengestelde
woorden als ‘nevel-daglicht’, ‘sneeuwmijmerij’, ‘wolkendreigendheid’ en
‘angstig-zoeken’ én de vele natuurbeelden, die soms aan Gezelles
natuurgedichten doen denken, geven al aan dat De Ridder opging in het laat-romantische
impressionisme van bijvoorbeeld een Kloos, aan wie hij overigens zijn gedicht
‘De Zee’ opdroeg.
De meeste jeugdgedichten werden door Elsschot niet opgenomen
in Verzen van Vroeger, noch in het Verzameld Werk. Het lijkt wel alsof
de Boorman in Elsschot – zeg maar de cynische zakenman – de Laarmans-gevoelsmens
voor het grote publiek verborgen wilde houden. Af en toe zou een verontwaardigde
Elsschot zich echter terug ‘als Laarmans’ laten zien, zoals bijvoorbeeld
met ‘Borms’ het geval is.
De gedichten die Elsschot tussen 1907 en 1910 in Parijs
en in Rotterdam schrijft, brengen een vormelijke versobering en inhoudelijke
ontnuchtering: nu verschijnt volop
zijn corrosieve stijl, zijn grotesk-vervormende optiek,
zijn ontmaskering van het kleine in de mens en zijn ironie die een zekere
meewarigheid niet uitsluit. (Lissens 1967:202)
Deze tien gedichten worden pas in 1933 gepubliceerd, en wel
in het tijdschrift Forum, opgericht door Menno ter Braak en Edgar du Perron.
Elsschot is dan ook een Forumdichter avant la lettre; hij is de ‘wortelstok
der Forumpoëzie’ met zijn gedichten ‘van het soort dat niets liever
doet dan loten uitzenden dwars door stenen en afval’ (Vestdijk 1982:75).
In de programmaverklaring van het tijdschrift staat o.m. te lezen: ‘Wij
verdedigen de opvatting dat de persoonlijkheid het eerste en laatste criterium
is bij de beoordeling van de kunstenaar’ (geciteerd in Kees 1988:11). Dit
impliceert een reactie tegen het estheticisme van de Tachtigers: in de
discussie ‘Vorm of Vent’ kiest Forum voor de Vent – al waren ‘Forumschrijvers
(...) beslist geen slechte vormgevers’ (ibidem). Hun stijl is die van de
nieuwe zakelijkheid in proza en in poëzie (parlandopoëzie):
Verworpen wordt, in ‘t algemeen, de opvatting als zou
de literaire taal een anders geaarde, verbloemde versie behoren te brengen
van de spreektaal die door Jan en Alleman wordt gehanteerd. (...) De taal
raakt weer ingepast in de concrete werkelijkheid: nu eens is ze mededelend
en nuchter zondermeer, dan weer neemt ze haar toevlucht tot al even gangbare
denk- en spreekmechanismen als de humor, de ironie, de satire enzovoort.
(Dupuis 1993:649)
Naar de inhoud kan men Elsschots poëzie indelen in ‘familiale’
verzen zoals ‘Moeder’ of ‘Het huwelijk’, sociale verzen zoals ‘Tot den
arme’ (twee gedichten dragen die titel), opstandige verzen zoals ‘Brief’
of ‘Borms’ en echte gelegenheidsgedichten zoals ‘Aan Willem Gijssels’.
Het spreekt voor zich dat deze ‘categorieën’ elkaar kunnen overlappen.
Naar de vorm volgt Elsschot een classicistische poëtica:
Toen de symbolisten de alexandrijnen al lang vermoord
hadden, toen het modernisme zich stilaan destructief een weg baande dwars
door de afgepaalde paadjes van de classicistische poëtica (ook bij
ons), toen het vrije vers langs Walt Whitman, Emile Verhaeren en Franz
Werfel bij ons binnendrong en de verstechnische, incluis strofische regelmaat
brutaal uit zijn hengsels lichtte, bleek dat allemaal Willem Elsschot niet
in het minst te raken of te beïnvloeden. Kennelijk meent hij dat poëzie
om poëzie te zijn ‘volgens de wet’ moet rijmen en in gelijke
strofen geleed moet zijn. (Janssens 1982:738-739)
Elsschot zelf licht zijn opvatting bondig toe in een brief
aan P. Ruivenkamp, toen een leerling aan de middelbare school, in 1950:
Ik ben tot schrijven gekomen door een onberedeneerde
innerlijke drang. De taak van een schrijver is zichzelf zo volledig mogelijk
uit te spreken als hij durft en zo helder, sierlijk en classiek als hij
kan. (Elsschot 1993:790)
Elsschots poëzie kan ‘anekdotisch’ genoemd worden door
haar chronologische ordening, haar opdrachten in of onder de titel en door
andere verwijzingen naar de buitentekstuele werkelijkheid (Janssens 1982:
737). Een andere karakterisering van Marcel Janssens is ‘gedramatiseerde
lyriek’: de dichter, die iemand (retorisch) aanspreekt, ‘maakt van zijn
gedichten minitoneeltjes met een hoog dramatisch voltage’. Zo lezen we
in een van zijn beste gedichten, ‘Het huwelijk’ (een novelle in dichtvorm?):
Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land. (Elsschot
1992:757)
Om af te ronden wijs ik nog op Elsschots bekende bittere,
sarcastische toon (denk bij uitstek aan ‘Bij het doodsbed van een kind’),
en op een aantal vaste elementen in zijn metaforiek: ‘verlichamelijking,
verdierlijking, verlelijking, vergroting om te kunnen verkleinen’ (Janssens
1982:745). Sprekende voorbeelden van zijn schokkende beeldspraak zijn o.m.
te vinden in ‘De bult spreekt’ en in ‘Borms’:
Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek. (Elsschot
1992:767)
1.2 August
Borms: ‘in houwe trouwe, u, Vlaanderen, totterdood!’
August Borms , collaborateur tijdens beide wereldoorlogen,
werd in 1946 geëxecuteerd. In wat volgt zal ik een aantal van zijn
activiteiten de revue laten passeren (cf. Baeyens 1973:217-219).
Hij ging ‘louter uit Vlaamsgezindheid’ (o.c. 217) Germaanse
filologie studeren in Leuven (1896-1902). Aan het werk in Peru tussen 1903
en 1906 herkende hij in de verdrukking van de Incataal door het Spaans
iets van de Vlaamse kwestie. Hij werd een heel actieve flamingant, die
zich inzette voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit, voor
de Vlamingen in Frans-Vlaanderen, voor de splitsing van het Belgisch leger
en voor de schoolwet van 1914.
Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog geloofde
Borms nog in een sterker Vlaanderen in het België van na de oorlog:
"Alle Belgen, Vlamingen en Walen, moeten samen vechten tegen de Duitsers."
(ibidem). Geleidelijk aan raakte hij er echter van overtuigd dat de achteruitstelling
van Vlamingen na de oorlog zou voortduren, en werd hij radicaler.
Borms schaarde zich achter de Flamenpolitik. In eigen
publicaties pleitte hij voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit,
en in 1917 werd hij lid van de Raad van Vlaanderen, een institutionalisering
van het activisme met Duitse steun. Op 22 december van dat jaar riep de
Raad op Borms’ voorstel de onafhankelijkheid van Vlaanderen uit, waarop
de Duitsers de Raad tot ontslag dwongen. Naar aanleiding van de verkiezingen
voor een tweede Raad, werd o.m. Borms op 8 januari 1918 door het Belgische
gerecht gearresteerd, maar door de Duitsers terug vrijgelaten nog voor
de procedure begonnen was. Borms werd even later Gevolmachtigde voor Nationaal
Verweer. Na het ontslag van de Gevolmachtigden in augustus, werd hij Zaakgelastigde
voor Landsverdediging.
Na de oorlog vluchtte Borms niet. Hij werd dan ook gearresteerd
en veroordeeld tot de doodstraf, die omgezet werd in levenslang. Borms
weigerde in te gaan op een voorstel van de regering in 1921 om hem vrij
te laten als hij zich verder zou onthouden van Vlaamse actie. Vrij kwam
hij toch: de Frontpartij stelde hem in 1928 kandidaat voor de Kamer, en
hij werd met grote meerderheid – ongeveer twee derde van de stemmen – verkozen.
De verkiezing werd ongeldig verklaard, maar Borms werd op 17 januari 1929
wel vrijgelaten.
Tijdens het interbellum bleef hij actief in het Vlaams-nationalisme,
maar had geen leidende rol. Op 10 mei 1940 werd hij, samen met andere Belgen
die van een extreem Vlaams standpunt verdacht werden, gedeporteerd naar
een militaire gevangenis in Orléans. Wanneer hij in juli terugkeert,
kiest hij opnieuw voor de bezetter: hij voerde propaganda voor het Oostfront
en nam de leiding van het Bormsfonds, ‘dat was opgericht om de schade,
aan de activisten door de repressie na 1918 berokkend, te vergoeden en
[om] hen in ere te herstellen’ (o.c. 219). Na deze oorlog vlucht hij wel,
maar wordt gearresteerd en ter dood veroordeeld. Hij weigert genade te
vragen aan de Prins-regent, en wordt op 12 april 1946 – twee dagen voor
zijn achtenzestigste verjaardag – geëxecuteerd:
Voor een honderdtal nieuwsgierigen schoten twaalf rijkswachters
een in de touwen hangende, kreupele oude man neer. Een lafheid, erger dan
een moord, die alleen in een land van barbaren mogelijk is. (...) Met de
man die vóór de executie ‘in houwe trouwe, u, Vlaanderen,
totterdood!’ riep, die nooit voor zichzelf had geleefd en geld en roem
onbelangrijk vond, verdween de generatie van de idealisten. (Van Isacker
1983:162-163)
Een heel ander geluid is te horen bij Jeroen Brouwers:
Aan deze Duitsvriendelijkheid was alles fout, en wie
het allemaal wil blijven verdoezelen onder het begrip ‘naïveteit’
lijkt met een zwarte lap voor zijn ogen en zijn vingertoppen in een gipsverband
uit een brailleboek te willen voorlezen. (Brouwers 1996:20)
Brouwers – een Nederlander – kan zich allicht moeilijk inleven
in de Vlaamse zaak, en gaat vrolijk voorbij aan het feit dat de repressie
voor een groot deel wreed en willekeurig was; een gelegenheid om vetes
te beslechten, een kans om te straffen eerder dan te oordelen. Voor hem
is fout, fout. Willem Elsschot, die in 1946 een stevige reputatie als schrijver
had opgebouwd, die zeker niet van Duitse sympathieën verdacht kan
worden en die Borms nooit had ontmoet, kent de Vlaamse zaak maar al te
goed, klimt verontwaardigd in zijn pen en produceert stap voor stap een
striemend hekeldicht, dat hem in literaire kringen én daarbuiten
niet in dank zou worden afgenomen. In een brief uit 1958 aan bewonderaar
Jan C. Villerius schrijft hij over Borms:
(...) Na de laatste oorlog werd hij ter dood veroordeeld.
Men liet hem nog een paar jaar leven in zijn cel en toen hij 70 ging worden
werd hij plotseling gefusilleerd. Een paar maanden later zou dat niet meer
gebeurd zijn want het schijnt een gebruik te zijn, zo heb ik tenminste
gehoord, dat men geen mensen van 70 en ouder nog fusilleert. Zelf erg vlaamsgezind
zijnde heeft dat dood schieten mij zo geërgerd dat ik niet heb kunnen
weerstaan aan de drang om op hem een gedicht te schrijven. (Elsschot 1993:1007-1008)
2
Het Bormsgedicht
2.1 Ontstaan
van ‘dat verwenschte gedicht’
In bijlage 1 zijn de verschillende
versies van het Bormsgedicht uit de briefwisseling, samen met de versies
uit het poëziealbum van Carla Walschap – dochter van Elsschots overbuur,
Gerard – naast elkaar afgedrukt. Toevoegingen en wijzigingen zijn blauw
en cursief gedrukt. Als een variant bovendien teruggrijpt naar een eerdere
versie, is deze onderlijnd. De briefnummers bovenaan de bladzijde verwijzen
naar de uitgave bezorgd door Vic van de Reijt (Elsschot 1993:642-672).
Aan de linkerzijde van het gedicht worden met ‘t’ titel en opdracht, met
‘m’ motto, met de cijfers 1 tot 10 de strofenummers en met ‘o’ ondertekening
en datering aangeduid. In wat volgt wordt steeds met strofenummers van
de definitieve versie gewerkt. Naar de derde strofe van de eerste versie
wordt dus verwezen met ‘strofe 4’. Varianten op het gebied van spelling
(zoals Vlaanderen’s vs. Vlaanderens), interpunctie en diakritische tekens
(zoals Dat vs. Dàt) en gebruik van hoofdletters (zoals Kardinaal
vs. kardinaal) zijn in deze weergave terug te vinden, maar worden niet
als varianten gemarkeerd. Ook de onvermijdelijke wijzigingen in de ondertekening
en datering zijn niet extra aangeduid. Merk op dat er nog niet ontdekte
kopieën van het gedicht, door Elsschot verstuurd, moeten bestaan (Elsschot
1993:662).
Van de vijf strofen die de eerste versie telt,
is er slechts één die ongewijzigd zou blijven (strofe 8).
Het begin van de eerste strofe zou heel geleidelijk, maar vrij grondig
veranderd worden. De vierde en de laatste strofe krijgen echter al in de
tweede
versie hun definitieve vorm. In de vierde strofe wordt het polysyndeton
versterkt door alliteratie van de ‘d’ en door een meer expressieve, oudere
vorm van ‘durfde’, ‘dorst’. Het verstand moet plaats maken voor het gevoel
in de laatste regel van deze strofe. In de laatste strofe wordt het envoi
een opdracht, en wordt de wat haperende constructie ‘Nu weet dan’ vlot
getrokken. Ten slotte wordt de derde strofe, gesteld in zeer expressieve
spreektaal, toegevoegd.
Over de derde versie schrijft Elsschot in een brief
aan schoonzoon Georges Kelner: ‘J’ai encore ajouté deux strophes,
mais maintenant c’est complet’. Zoals zal blijken, was dat wat voorbarig.
In strofe 3 wordt het ‘Vlaamsche volk’ vervangen door ‘uw dierbaar volk’.
Later zou Elsschot door de wijziging in de tweede regel van het gedicht
de klemtoon op Vlaanderen nog wat afzwakken. Van de toegevoegde strofen
5 en 6 zou 5 niet veel meer veranderen, maar de zesde strofe liep niet
goed en wordt in de vierde versie definitief ten goede veranderd:
J’ai encore changé la 6e strophe dont le début
(Eenieder had te doen) ‘tombait’ un peu, c’est-à-dire n’avait pas
toute l’intensité de la strophe précédente. C’est
réparé. Maintenant je n’y toucherai plus. Je crois que, comme
poème politique, on n’a jamais produit mieux dans les Pays-Bas.
(Elsschot 1993:648)
Verder worden de ‘enkele soldeniers’ voorgoed ‘rechters-soldeniers’
en verdwijnt de ondertekening met ‘Willy’. Deze vierde versie, daterend
van 1 maart 1947, zendt Elsschot op naar het Nieuw Vlaamsch Tijdschrift,
en op 5 maart stuurt Elsschot enkele wijzigingen door aan Hubert Lampo,
de redactiesecretaris. De versie die aldus ontstond, staat niet in de Brieven,
maar moet ongeveer overeenkomen met versie 5, brief aan Henri Dirkx.
Elsschot wil namelijk onder de titel de opdracht ‘Aan Camiel Huysmans’
zetten, en
om tweemaal AAN te voorkomen, verzoek ik U AAN BORMS
te wijzigen in het eenvoudige BORMS
(Somers 1996:270)
Bovendien verschijnt nu voor het eerst het bijzonder welluidende
begin ‘Gij zijt mij vreemd geweest’:
De reden hiervan is dat de eerste regel van de 6e strophe
eindigt op "ik heb hem niet gekend". En ik vind dat in een gedicht van
die lengte nooit twee dezelfde uitdrukkingen mogen voorkomen. (o.c. 269-270)
In de reeds vermelde vijfde versie uit bijlage
1 is de opdracht aan Huysmans niet aanwezig, en werd ‘buigen’ in de
derde strofe veranderd in ‘lenigen’. In de zesde versie wordt deze
laatste verandering echter weer ongedaan gemaakt. Verder wordt een opdracht
‘Aan zijn zoon’ toegevoegd – de brief in kwestie is aan Jan Borms geadresseerd
– en wordt ‘Vlaanderen’ uit de tweede regel weggewerkt: ‘dat gij onze leus
manmoedig hebt gediend’. ‘Eeuwig’, in de laatste strofe, wordt door Elsschot
met de hand veranderd in ‘immer’, en ‘stilzwijgend’ in de tweede strofe
in ‘afwezig’. Deze laatste wijziging zal pas ongedaan gemaakt worden bij
de publicatie in het Verzameld Werk (of al in de bibliofiele uitgave van
de gedichten in 1954?).
In de zevende versie krijgt de beginregel zijn
definitief beslag: ‘vermetele’ oude vriend. De opdracht wordt geschrapt,
en in de vijfde strofe wordt ‘wij allen’ vervangen door ‘zijn dienaars’.
Deze laatste wijziging zal Elsschot niet behouden. In het begeleidend briefje
aan Frans Smits schrijft hij:
Zoo erg is het immers niet? En daar moest toch één
van ons iets over zeggen? Waarom dan gewacht tot zijn eigen geloofsgenooten,
die hem laffelijk in den steek lieten, het zullen uitkraaien als het minder
gevaarlijk zal zijn? (Elsschot 1993:654)
In de achtste versie is de negende, sterk spottende
strofe toegevoegd. Een doorslag van deze versie zond Elsschot naar Frans
Smits (negende versie) – het ‘groot ornaat’ is inmiddels gewijzigd
in de idiomatische uitdrukking ‘vol ornaat’ – met de volgende verantwoording
voor de nieuwe strofe:
(...) om het voor onze katholieke vrienden, de schijthuizen
die voor B. iets hadden kúnnen doen, heelemaal onaannemelijk te
maken. (o.c. 658)
De tiende en elfde versie werden door Elsschot in
het poëziealbum van Carla Walschap geschreven, met de volgende boodschap:
Liefste Carla,
Schaar u steeds aan de zijde der verdrukten en wees mijn
woorden indachtig:
‘Langs de baan zal ik hem onderrichten: dat hij de gevulde
hand moet afstooten, dat hij niet bukken mag voor ‘t geweld, juichen noch
rouwen op bevel van de machthebbers.’
Tsjip, laatste hoofdstuk. W.E. (o.c. 670 en 672)
In de versie die Elsschot op 8 april schreef, werden voor
het eerst de heel toepasselijke motto’s uit de bijbel toegevoegd. De wat
al te pathetische ‘helden’ worden ‘dapperen’ en de ‘gruweldaad’ wordt veranderd
in ‘snoode daad’. Later – volgens Van de Reijt (om onduidelijke redenen)
vóór 26 juni – bracht Elsschot in een andere inktkleur drie
wijzigingen aan én voegde hij de zevende strofe toe. Van ‘onversaagd
ons Vlaanderen’ over ‘onze leus manmoedig’ heeft Borms nu ‘Neerlands vaan
manmoedig gediend’. Het metrisch probleem in de derde regel van de vierde
strofe – twee lettergrepen te weinig voor een alexandrijn – wordt opgelost
door toevoeging van ‘finaal’. De dienaars, die in versie 7 ‘wij allen’
kwamen vervangen, worden weer wandelen gestuurd. Deze variant is allicht
verkieslijk om het contrast te vormen met ‘ons allen’ in de vierde strofe:
we mogen dan wel allen geraakt worden door dat salvo, uiteindelijk zijn
wij allen laf blijven zwijgen.
Volgens Van de Reijt (o.c. 670) bereikte het Bormsgedicht
hiermee zijn definitieve versie. Vreemd genoeg is er in het Verzameld Werk
(twaalfde versie) toch nog een verschil: de regent, die sinds de
zesde versie ‘afwezig’ was, wordt nu terug ‘stilzwijgend’.
Nu zijn er nog op zijn minst twee versies bekend die moeilijk
te dateren zijn (bijlage 2). Op 9 april 1949
verscheen in het Vlaams-nationale satirische weekblad Rommelpot een versie
die, volgens redacteur Daniël Merlevede (Durnez 1981:6) enkele weken
na de executie van Borms (12 april 1946) op de redactie bezorgd werd door
een ‘raar ventje’. Als dit klopt, zou deze versie een ‘oerversie’ zijn
uit april-mei 1946. Daarna verstrijkt ruim een half jaar vooraleer het
gedicht in de briefwisseling opduikt in februari 1947.
Uitgaande van de juistheid van deze hypothese, worden
in bijlage 2 de verschillen met de eerste versie
uit de briefwisseling aangeduid. Deze vergelijking lijkt de hypothese te
bevestigen: alle wijzigingen, op één na, bleven in de volgende
versies gehandhaafd. Alleen in de voorlaatste regel zou Elsschot op zijn
stappen terugkeren, maar dat gebeurt wel vaker (in de 12 versies van bijlage
1 grijpt Elsschot drie keer terug naar een oudere variant). Opvallend
is dat opnieuw een verwijzing naar ons land (Vlaanderen, Vlaanderland,
ons Land,...) wordt gewijzigd: ‘dit Vaderland’ wordt wat afgezwakt tot
‘ons Land’. De verandering in het tempus van de werkwoorden ‘trof’ en ‘begreep’
lijkt te benadrukken dat de beschreven toestand voortduurt.
Een tweede ‘apocriefe’ versie verscheen in het Vlaams-nationaal
weekblad Opstanding op 12 april 1952, en circuleerde in de vroege jaren
‘50 ook als vlugschrift in Antwerpen. De datering van deze versie is bijzonder
problematisch. Door de aanwezigheid van de motto’s en van de varianten
‘dapperen’ en ‘snoode daad’, mogen we ervan uitgaan dat deze versie dateert
van na 20 maart 1947 (versie 9 in bijlage 1),
maar veel meer valt er niet over te zeggen. Van de Reijt (Elsschot 1993:665)
gaat ervan uit dat deze versie vóór versie 10 (8 april) moet
gesitueerd worden door het ontbreken van de zevende strofe. Volgens mij
moet deze tekst echter tussen versie 10 en versie 11 – dus ná 8
april – zijn omdat de varianten ‘finaal’ en ‘wij allen’ al aanwezig zijn.
In versie 11 worden dan nog de variant ‘Neerlands vaan’ en de zevende strofe
toegevoegd. De varianten ‘gekist’ en ‘en bedelt’, en de verkeerde spelling
van de naam, zijn wellicht zetfouten én wijzen erop dat deze publicatie
niet geautoriseerd is door Elsschot.
Tot besluit van dit overzicht van tekstgenese zou ik stellen
dat, behalve het vlottrekken van manke constructies en twijfels over het
juiste woord, de aangebrachte wijzigingen en toevoegingen van tweeërlei
aard zijn. Enerzijds verzwakt Elsschot de pathetiek enigszins door het
gebruik van meer neutrale woorden als ‘ons Land’, ‘dierbaar volk’ en ‘Neerlands
vaan’ in plaats van vader- en Vlaanderland, en ‘dapperen’ in plaats van
‘helden’. Anderzijds voegt Elsschot erg plastische (3), moraliserende (5-7)
en sarcastische (9) strofes toe. De vijfde en de negende strofe kunnen
wijzigingen ‘van politieke aard’ (Reynebeau 1996:47) genoemd worden omdat
hierin uitdrukkelijk de lafheid van de Kerk in de verf gezet wordt, waar
elders in het gedicht dezelfde behandeling al te beurt viel aan de Staat.
Zo is Elsschot geslaagd in zijn poging om iedereen een veeg uit de pan
te geven, zoals hijzelf in een gesprek met Jan C. Villerius in 1958 zei:
En dan dat vers over Borms! Al die strofen, dat was
een heel karwei, maar ik heb mijn best gedaan. Het was mijn bedoeling iedereen
zijn deel te geven: de Belgen, de Hollanders, de Regent hier, Hare Majesteit
bij jullie, de Paus, de katholieken en zo is het gebeurd. (Van de Reijt
1987:175)
2.2 Het
resultaat: een Oldenbarnevelt op krukken?
'Borms' begint met twee motto’s uit de bijbel, waarmee de
agnosticus Willem Elsschot bijzonder vertrouwd was. Het eerste is afkomstig
uit het boek Prediker, dat doordrongen is van het besef van ijdelheid.
Het derde hoofdstuk van dit werk gaat uit van de vaststelling van ‘de onrechtvaardigheid
in de wereld, vooral het ontbreken van een juiste vergelding voor goed
en kwaad’ (De Bijbel 1981:920). Het tweede is afkomstig uit het dertigste
hoofdstuk van het boek Jeremia. Dit is het eerste hoofdstuk van vier waarin
‘heilsprofetieën over het herstel van Israël en Juda’ (o.c. 1143)
uitgesproken worden. Jahwe kondigt in dit ‘kleine troostboek’ (o.c. 1180)
aan dat de verlossing – na grote moeilijkheden en niet zonder zijn rechtvaardige
straffen, waardoor ‘al uw minnaars u vergeten zijn’ – komen zal.
Het eigenlijke gedicht (bijlage
3a) is geschreven in alexandrijnen (jambische dodecasyllaben), vaak
zelfs compleet met cesuur (bv. ‘voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten
van uw drek’). Er zijn geregeld afwijkingen van het jambisch grondpatroon
om extra nadruk te leggen (cf. bijlage
3b). De strofen tellen telkens vier verzen, die onderling gepaard rijmen
(aabb).
De eerste strofe is door de assonantie met ij en ee bijzonder
sonoor. Borms is Elsschot inderdaad vreemd geweest: Elsschot heeft Borms
nooit ontmoet en kan beslist niet van Duitsgezindheid verdacht worden.
Borms’ zoon Edmond verklaarde in dit verband in 1992:
Ik weet dat zowel vader als zoon De Ridder socialistische
sympatieën koesterden, maar ik weet ook dat ze in Borms de mens en
de idealist hoogachtten. (Somers 1996:273)
Borms wordt een ‘oude’ vriend genoemd. Het is opvallend hoe
de connotatie van dit woord, dat in het gedicht vier keer voorkomt, afwisselend
positief en negatief is: ‘oude vriend’, ‘oude krukkenvent’, ‘oude romp’,
‘oude tyrannie’. Ook de aanduiding ‘Neerlands vaan’ is opmerkelijk. Elsschot
lijkt hiermee het Grootnederlands gedachtegoed van Borms te willen benadrukken.
In eerdere versies stond op deze plaats immers ‘ons Vlaanderen’ of ‘onze
leus’. In heel het gedicht is de nadruk op Vlaanderen trouwens binnen de
perken gehouden: in de definitieve versie komt het woord slechts twee keer
voor, waarbij het de tweede keer dan nog geperverteerd wordt (‘de Wet van
Vlaanderens eergevoel’ is m.i. ironisch).
In het gedicht wordt sterk de nadruk gelegd op ieders
medeplichtigheid in het laffe zwijgen: ‘een ieder weet’, ‘wij allen zwegen
stil’, ‘een ieder zwoer bij God’. Op dezelfde hoogte staat de schijnheiligheid
van allerlei instanties of instituties, die uiteenvallen in twee categorieën:
de Belgische staat, die de Vlamingen strak in het gareel houdt (‘de Staat’,
‘de Regent’ = ‘dat tuig’) enerzijds, en de katholieke kerk, die volgens
Elsschots voorspelling Borms als martelaar zal opvoeren eens het gevaar
geweken is, anderzijds (‘de Paus’, ‘de Kardinaal’).
Herhaling, parallellie en contrast zijn belangrijke bouwstenen
van 'Borms': voegwoorden (en, maar, noch...noch), anaforen (‘voor ‘t buigen...voor
‘t beven...voor ‘t eten’, ‘dat kon, dat wilde of dorst men niet verstaan’),
dubbelvormen (‘herzegend en verkist’) en terugkerende woorden (‘peloton’,
‘oud’) zijn her en der aan te wijzen. De derde strofe is hier een sprekend
voorbeeld van.
In deze derde strofe verwijst Elsschot naar het feit dat
Borms weigerde genade te vragen aan de Prins-regent: Borms bedankte voor
een gratie in ruil voor onderdanigheid en monddoodheid. Dit wordt uitgedrukt
in een schier scatologisch parlandovers (‘Uw gratie lag gereed...voor ‘t
eten van uw drek’). Dit soort van cynische beeldspraak werd door Marcel
Janssens als volgt bondig samengevat: ‘Elsschot kon het wel over zijn hart
maar niet over zijn lippen krijgen’ (Janssens 1982:749).
Het gewone spreektaalvers is niet overheersend: heel wat
verzen zijn bepaald hoogdravend. De zesde strofe is in dit opzicht exemplarisch:
na echte geciteerde spreektaal komt een bijzonder pathetische en met retorische
effecten gelardeerde uitroep (‘O lafheid ongehoord, o niet te delgen schand...’).
In de volgende strofe wordt met de verwijzing naar het
huis van Oranje opnieuw, zoals in de eerste strofe, verwezen naar de Grootnederlandse
gedachte. Ook vanuit die kant komt echter geen hulp, waarop Elsschot met
een sententieachtig vers concludeert: ‘wie eenmaal is gedoemd vindt nergens
meer gehoor’. Borms wordt dan ook ‘in allerijl vermoord’. Zoals blijkt
uit het het citaat op pagina drie, meende Elsschot dat hij binnenkort zeventig
werd, en dat men geen mensen van zeventig of ouder executeert. In feite
was Borms op twee dagen na achtenzestig.
Het slot van de achtste strofe is misschien wat dubbelzinnig.
In een belangrijke brief van Boon, waarop ik nog nader zal ingaan, schrijft
Boon ondermeer dat hij geen ‘termen (wil) onderschrijven zoals "Vlaanderen’s
Eergevoel" ’ (Elsschot 1993:663). Brouwers noteert in zijn artikel dat
Elsschot ‘in de fusillade van Borms de zoveelste doodklap van ‘Vlaanderens
eergevoel’ (zag)’ (Brouwers 1996:21). Naar mijn mening (zie ook De Ridder
1994:138) is deze zin echter bijtend-ironisch, en sluit de volgende strofe
er dan ook naadloos bij aan: eens het gevaar geweken is, zal Borms door
de kerk tot martelaar gecatapulteerd worden. In deze interpretatie zou
op het eind van de achtste strofe even goed een dubbele punt kunnen staan.
In de laatste strofe spreekt Elsschot het ‘lijdzaam volk’
aan en roept het op tot actief protest: stamelend bidden of bedelen haalt
niks uit.
Dit gedicht wordt – naar het voorbeeld van Elsschot zelf
– graag vergeleken met de Geuse Vesper van Vondel, geschreven ter ere van
raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt, die met zijn ‘stokske’ het schavot
opklauterde (bijlage 4). Ook in dit gedicht
wordt de nadruk gelegd op de hoge leeftijd van de geëxecuteerde, en
wordt besloten met een aanspreking. Albert Westerlinck merkte op dat ‘het
Bormsgedicht (...) beïnvloed (is) door de plechtige en verontwaardigde
stijl van Vondels meest bijtende hekeldicht’ (Westerlinck 1964:196). Elsschot
zelf schrijft in een brief van negen juli 1947 aan de bevriende schrijver
Peter van Steen:
Wat het gedicht aan B. betreft, zand daarover. Het eenige
wat mij erin interesseert is de lyrische waarde en om die te kunnen beoordeelen
moet men abstractie maken van de politiek. Het gedicht van Vondel op Oldenbarnevelt
vind ik prachtig, maar ik weet absoluut niet of die man onschuldig was.
Ik heb nu eenmaal de verwenschte manie om, als het ware automatisch en
onbewust, aan de zijde van de slachtoffers te gaan staan, peu importe of
het democraten of fascisten, Franschen of Duitsers zijn. Ik heb een instinctmatige
afkeer voor de overwinnaars, wie of wat ze ook zijn mogen en het zou mij
liever zijn dat zij aan den slag bleven tot beide partijen, na een
eeuw of zoo, zich plotseling zouden afvragen ‘zijn wij eigenlijk niet gek?’.
(Elsschot 1993:684)
Deze houding, die ook af te lezen is uit ‘Van der Lubbe’
(over de jonge communist die onthoofd werd op beschuldiging van brandstichting
in de Reichstag, zie bijlage 4), en die enigszins
in tegenspraak lijkt met een eerder geciteerde brief, waarin Elsschot het
over ‘Borms’ ‘comme poème politique’ had, zal belangrijk zijn voor
het vervolg van mijn verhaal (3.2).
3
Capita selecta uit de waarderingsgeschiedenis
3.1 Onmiddellijke
impact: ‘Al uwe minnaars hebben u vergeten’
In wat volgt wordt nader ingegaan op Elsschots pogingen om
zijn gedicht in een literair tijdschrift gepubliceerd te krijgen, op het
einde van de vriendschap met Boon als gevolg van zijn afwijzing van het
gedicht, en op de geruchtmakende publicatie van een heel vroege versie
van het gedicht in Rommelpot in 1949.
Op 1 maart 1947 stuurt Elsschot de vierde versie van zijn
gedicht naar Herman Teirlinck, directeur van het Nieuw Vlaamsch Tijdschrift,
waarin hij al ‘Het dwaallicht’ en ‘Van der Lubbe’ had laten verschijnen.
Diezelfde dag had Elsschot aan schoonzoon Georges Kelner geschreven: ‘Je
l’adresse au Nieuwe Vlaamsche Tijdschrift et je me demande quelle tête
ils vont faire’ (Elsschot 1993:648).
Teirlinck organiseert een schriftelijke stemronde onder
de redactieleden. Een aantal onder hen zegt kortweg ‘neen’: Raymond Brulez,
Raymond Herreman, Karel Jonckheere (‘Het is een slecht gedicht’, Somers
1996:271), Julien Kuypers, Achille Mussche, Albert Van Hoogenbemt (‘Ik
vind het gedicht (...) zeer slecht.’, ibidem), Maurice Roelants, Herman
Vos en ook directeur Teirlinck en redactiesecretaris Hubert Lampo. Johan
Daisne was ook tegen plaatsing, maar verantwoordde zijn mening uitvoerig:
het gedicht is ‘van geen exceptionele poëtische waarde’, hij wil niet
bijdragen tot het eerherstel van een man die hij niet gekend heeft, en
hij houdt rekening met de openbare opinie: ‘Het geval Borms heeft voorzeker
zijn menselijke kant, maar het is nog te fris in onze geschiedenis, om
niet op de eerste plaats politiek te zijn.’ (o.c. 270).
Bert Decorte en Piet van Aken zeggen kortweg ‘ja’. Maurice
Gilliams stemt ook vóór, omdat ‘de nuchtere lieden van goede
wil (...) het uiterste der onverdraagzaamheid waar we thans in versukkeld
zitten erg beu aan het worden (zijn)’, al vindt hij Elsschots ‘ontboezeming
(...) als "gedicht" bepaald onoogelijk (...)’ (ibidem). Ferdinand Victor
Toussaint van Boelaere heeft niets tegen plaatsing,
al heeft het gedicht geen diep accent. Onze geuzenliederen,
hoe onvolmaakt ook, kwamen uit een overtuiging en een innigheid des harten
waar men eerbied voor hebben moet. Bij deze liederen vergeleken, doet het
vers van Elsschot mij banaal aan – alleen geschreven om den cynicus uit
te hangen. (o.c. 271)
Elsschots overbuur Gerard Walschap plaatst het gedicht wél
op dezelfde hoogte als de geuzenliederen:
Het gedicht is middelmatig, maar de menschelijke belijdenis
verheft het. Elsschot’s eerbetoon aan een held, die in zijn oogen altijd
een dwaas is geweest en dien hij nooit heeft gevolgd, verdient dat wij
een even hooge houding aannemen tegenover zijn gedicht, zooals de katholiek
een geuzenlied en de vrijzinnige [een] referein van Anna Bijns weet te
eeren. In wezen trouwens is het minder een hulde aan Borms dan een protest
tegen "de oude tyrannie" dat onze volle instemming kan meedragen. Het feit
dat dit gedicht uitspreekt wat in zeer velen leeft die thans niet mogen
of kunnen spreken, vergt van ons én meer verdraagzaamheid én
meer moed om deze stem te laten hooren. (ibidem)
De houding van de latere auteur van ‘Zwart en Wit’, die ook
nog van Duitsgezindheid verdacht werd, is des te interessanter als men
weet dat Walschap reeds de dag nà Borms’ executie een (tijdens zijn
leven nooit gepubliceerd) pleidooi schreef tegen ‘het neerschieten van
den ongevaarlijken ouderling die zijn leven had verknoeid aan een foute
vaderlandsliefde’, onder de titel ‘Salvos knallen, gewetens knagen’ (Borré
1997:5).
Terug naar het N.V.T. nu. Dit tijdschrift weigerde het
gedicht dus, maar intussen had Elsschot het zélf al teruggetrokken
‘om het Nieuw Vlaamsch Tijdschrift onaangenaamheden en misschien ernstige
moeilijkheden te besparen en ook om persoonlijke redenen die u niet interesseeren’
(brief aan Lampo van 17 maart 1947, Somers 1996:271). Een dag eerder had
hij ook al aan Frans Smits zijn intrekking meegedeeld (Elsschot 1993:655).
Volgens Johan Anthierens trok hij het niet in uit angst voor een weigering,
maar omdat hij ‘de hele maand maart aan zijn beeld van ‘Borms’ blijft schaven
en krullen’ (Anthierens 1993:61). Dit lijkt mij niet de reden. Elsschot
trok het gedicht terug omdat hij gehoord had van de bezwaren in de N.V.T-redactie
– zo bevestigde Walter De Ridder het ook aan Gaston Durnez (Durnez 1981:6)
– maar hij had het wel graag gepubliceerd gezien en probeert dit ook meteen
te bereiken, of het gedicht nu af is of niet. In reactie op een brief van
17 maart van Daisne, die vraagt naar een vers voor zijn tijdschrift Klaverdrie,
antwoordt Elsschot in een brief met een kopie van ‘Borms’: ‘Il importe
simplement que je sache si votre revue le publierait si je me décidais
à le rendre public. Je suppose que vous pouvez en décider
sans avoir à consulter préalablement quelque Grand Conseil.’
(Elsschot 1993:656). Met ‘votre revue’ wordt hier wel degelijk Klaverdrie
bedoeld - en niet het N.V.T zoals Anthierens verkeerdelijk veronderstelt.
Met ‘quelque Grand Conseil’ doelt Elsschot natuurlijk op de redactieraad
van het N.V.T. In een brief van 28 maart herneemt Daisne zijn redenen voor
een weigering, die hij tegenover de ‘Grand Conseil’ al geuit had, met weglating
van het feit dat hij vond dat het gedicht van geen exceptionele poëtische
waarde is, natuurlijk.
Intussen moet Elsschot al een versie van ‘Borms’ naar
Louis Paul Boon gestuurd hebben, met het verzoek of hij zijn pennenvrucht
aan hem mocht opdragen. Boon had in 1942, mede op voorspraak van jurylid
Elsschot, de Leo J. Kryn-prijs gekregen voor ‘De voorstad groeit’, en sindsdien
onderhielden de schrijvers een ‘harde vriendschap’, zoals Boon het noemde
(Boon en Elsschot 1989:100). De afwijzing van Elsschots verzoek heeft Elsschot
blijkbaar zwaar teleurgesteld, want na Boons fameuze brief van 24 maart
1947 is er geen enkele brief van Elsschot aan Boon bekend. Nochtans legt
Boon omstandig uit waarom hij weigert:
(...) Gij hebt moed. Gij durft tegen heel de wereld
stroom op te roeien. Dat is zeer mooi van u. Maar besef tevens dat door
de schuld van de Bormsen (slachtoffers van de even grote schuldige: de
Belgische Staat) zovelen mijner vrienden gestorven zijn in Dachau, in Breendonk,
in Buchenwald. (...) Maar ik heb eveneens lak aan die andere dwaasheid:
Vlaanderen. Ik heb de mensen lief, en nìet de vaderlanden. En als
gij dan de verdediging van Borms onderschrijft, wil ik die samen met u
onderschrijven. Maar wat ik niet wil, dat is, termen onderschrijven zoals
‘Vlaanderen’s Eergevoel’, of zoals: ‘het Vlaamse volk dat genoeg gebedeld
heeft aan de poort’. (...) Vandaag of morgen zullen zij weer door onze
straten trekken met hun leeuwenvlaggen, hun benagelde botten, hun roffelende
trommen. Ik wil uw gedicht, aan de mens Borms, onderschrijven. Ik
wil het niet aan het symbool Borms: (...). Maar de Regent en de
Kardinaal - en ook Borms - haat ik omdat zij symbolen zijn van iets
dat de arme man steeds zand in de ogen heeft gestrooid.
(Elsschot 1993: 662-664)
Vlaanderen was voor Elsschot beslist geen dwaasheid. In zijn
jonge jaren werden hij en zijn klasgenoten ‘onder den gloeienden blik en
het vlammend woord van Pol de Mont op de schoolbanken (...) tot flaminganten
(...) hersmeed’ (brief aan Ary Delen in 1948, o.c. 723). Over de naam Yvonne,
die het dochtertje van oudste zus Louise gekregen had, schreef hij in 1899
aan zijn zussen Marie en Emma: ‘Ik dacht dat gij nog Vlaamschgezindheid
genoeg in het lijf had om het kind met eenen flinken, frisschen Vlaamschen
naam te doopen.’ (o.c. 23). Boon leek later dan ook enigszins spijt te
hebben gekregen van zijn geruzie met Elsschot. In 1949 verdedigt hij Elsschot
naar aanleiding van het vaak verkeerd begrepen ‘Tankschip’: Elsschot had
een hekel aan de Duitsers en een aantal kennissen van hem is omgekomen
in concentratiekampen, maar ‘zulks belet niet dat Elsschot het niet altijd
eens is met de wijze waarop België thans van in vaderlands opzicht
ongure elementen wordt gezuiverd’: de grote schuldigen mogen ‘voor zijn
part hangen’, maar de meelopers zou men beter ‘een trap tegen hun achterste
geven en retour zenden naar hun parochie’. Boon besluit: ‘Vreedzaam en
goedertieren als hij is, houdt Elsschot slechts rekening met de ingevingen
van zijn gemoed’. (Boon en Elsschot 1989:104-105). Nog in 1976 – zestien
jaar na Elsschots dood – schreef Boon:
Ook voor mij moest Borms niet doodgeschoten worden,
maar moesten er heel wat anderen een ferme schop onder hun kont krijgen.
Alleen
stoorden me de twee laatste regels van het gedicht... - Maar wij keren
terug met wapperende vaan en slaande trom. (...) Later zag ik het gedicht
verschijnen en stelde vast dat hij de twee laatste regels dan toch veranderd
had... Maar het gedicht was niet meer aan mij opgedragen. (o.c. 111)
Wellicht heeft Boon beter de tekst van zijn eigen brief dan
die van het gedicht onthouden, want het lijkt mij, gezien de verschillende
versies waarover we beschikken, erg onwaarschijnlijk dat er ooit een versie
heeft bestaan met die slotverzen.
In een brief van 26 juni 1947 aan de Nederlandse zenuwarts
Andries Kaas schrijft Elsschot dat ‘dat verwenschte gedicht’ het feestcomité
ter ere van zijn vijfenzestigste verjaardag heeft doen uiteenspatten, dat
hij door het gedicht niet verkozen werd tot lid van de Vlaamsche Academie,
en dat het hem zeer zeker ‘de Groote Prijs der Vlaamsche Letterkunde’ zou
kosten (Elsschot 1993:679). Dit laatste zou gelukkig niet het geval zijn
– in 1948 kreeg Elsschot de Staatsprijs voor ‘Het dwaallicht’ – maar hij
kon toen niet voorzien dat een ongeautoriseerde en onverwachte publicatie
in het rechts-satirische weekblad Rommelpot op 9 april 1949, de huldiging
naar aanleiding van deze Staatsprijs, die op 29 mei 1949 gehouden zou worden,
zou dwarsbomen.
Hoe het gedicht in Rommelpot terechtgekomen is, is onduidelijk.
Enkele weken na Borms’ executie heeft een ‘raar ventje’ – zo herinnert
een bediende het zich (Durnez 1981:6) – de versie uit bijlage
2 afgegeven. De reeds vermelde Daniël Merlevede, hoofdredacteur
van Rommelpot, getuigde in Durnez’ Bormsdossier dat ze het niet meteen
durfden afdrukken, maar dat na verloop van tijd een ‘man van socialistischen
huize’, een ‘bekende van Elsschot’, kwam zeggen dat Elsschot verwonderd
was dat zijn gedicht nog niet gepubliceerd was (ibidem). Pas drie jaar
later werd de inmiddels volkomen voorbijgestreefde versie alsnog gepubliceerd.
Volgens de redacteurs van het weekblad – en volgens cineast
Frans Buyens, auteur van een monografie over Elsschot en verfilmer van
‘Het dwaallicht’ (Elsschot 1993:643-645) – was het wel degelijk Elsschot
zelf die het gedicht had bezorgd. Ida De Ridder spreekt dit tegen met als
enig argument dat haar vader ‘geen raar ventje (was), integendeel, hij
was een degelijk gekleed, onopvallend, net burger’ (De Ridder 1994:138).
Dit lijkt me een nogal zwak argument omdat op deze manier wel erg veel
belang gehecht wordt aan wat een bediende zich ooit meende te herinneren.
Bovendien rijst natuurlijk de vraag, wie het zo vroeg al (april-mei 1946)
zou kunnen afgegeven hebben, met andere woorden, wie het zo vroeg al bezat?
In de briefwisseling is alvast geen enkele brief te vinden waarbij een
versie van het gedicht zat, vóór 25 februari 1947. Dit sluit
natuurlijk niet uit dat Elsschot toch zijn embryonaal gedicht al aan iemand
gaf of toestuurde die het vervolgens zonder diens medeweten aan Rommelpot
gaf. Die persoon zou dan echter meteen zijn vriendschap met Elsschot vergooien.
Het lijkt mij minstens even plausibel dat Elsschot het gedicht in een impulsieve
bui naar Rommelpot heeft gebracht of heeft laten brengen. Dit neemt niet
weg dat hij oprecht verontwaardigd was bij de plotse publicatie in 1949,
toen hij het gedicht al flink herwerkt én uitgebreid had tot zijn
huidige vorm.
De precieze omstandigheden van het gebeuren zullen allicht
nooit achterhaald kunnen worden, maar een ding lijkt zeker: Elsschot is
opgehouden met het schrijven van novellen en gedichten. Of dit nu werkelijk
het gevolg is van de Bormskwestie, is minder zeker: er bestaat immers een
onvoltooide roman, waarschijnlijk bedoeld als vervolg op ‘Het tankschip’,
waarvan in 1957 een foto verscheen in ‘De Post’ (Elsschot 1993:976-977).
Misschien schreef Elsschot gewoon niets literairs meer omdat hij er de
inspiratie niet voor vond. In dit verband schrijft Albert Westerlinck dat
Elsschot nog slechts een keer of twee in een voorval de mogelijkheid had
gezien om erover te schrijven, maar dat het er niet van gekomen is (‘Elsschot
was toen reeds door ziekte aangetast’, Westerlinck 1964:194).
3.2 Latere
nawerking: ‘De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij’
In haar boek ‘Willem Elsschot, mijn vader’ gaat Ida De Ridder
nogal tekeer wanneer ze de Rommelpotpublicatie ziet als een deel van een
rechts-katholieke machinatie die erop gericht is haar vader zoveel mogelijk
schade toe te brengen. Zo stelt ze weinig genuanceerd dat het katholicisme
van die tijd ‘zich kenmerkt door zijn onverdraagzaamheid, zijn despotisme
en zijn hypocrisie’ (De Ridder 1994:134). Voorts waren volgens haar alle
Vlaamse vrijzinnigen – Elsschot incluis – voorstander van de Grootnederlandse
gedachte, en was de ‘geamputeerde’ Rommelpotversie een oproep tot eerherstel,
terwijl de integrale tekst ‘een aanklacht is tegen de doodstraf, tegen
de medestanders van Borms, die alles stilzwijgend lieten gebeuren, en vooral
tegen de Kerk’ (o.c. 134-135). ‘Door bepaalde strofen weg te laten krijgt
het gedicht een andere, zelfs tegengestelde inhoud’. (o.c. 138) Nu gaat
het hier, zoals al gebleken is, niet om een ‘weglaten’ van strofen: het
is erg waarschijnlijk dat deze versie gewoon een heel vroege versie is.
Het is wél eigenaardig dat Rommelpot in 1949 nog niets heeft opgevangen
over de inmiddels aangebrachte wijzigingen. Toch houdt Daniël Merlevede
dit in juni 1992 nog steeds staande: ‘U mag verzekerd zijn: was ons dat
sublieme gedicht, dat zo wezenlijk en pregnant de ergernis en fundamentele
instelling van Rommelpot deelde, ter kennis en publikatie gebracht, het
zonder één iota te wijzigen zou zijn verschenen’ (Anthierens
1992:87-88).
Ida noemt Elsschot zonder meer een ‘atheïst en antiklerikaal’.
Volgens mij was Elsschot, gezien zijn enorme bijbelkennis, zijn bespiegelingen
in ‘Het dwaallicht’ en zijn vriendschap met enkele priesters (bv. Albert
Westerlinck), veeleer agnosticus dan atheïst en zeker niet antiklerikaal.
Bovendien roept de definitieve versie m.i., net als de oudste, enigszins
op tot eerherstel, al is dit niet de belangrijkste inhoud: in de opdracht
is van Borms geen sprake meer. Ida De Ridder probeert Elsschot in een strak
vrijzinnig pak te stoppen door het gedicht te lezen als een aanklacht tegen
de doodstraf – wat ik er niet meteen in zie – en tegen de Kerk – waarbij
ze vrolijk vergeet dat het gedicht evenzeer een aanklacht is tegen de Staat.
Interessanter wordt het wanneer Ida de redenen van Elsschots
verbolgenheid opsomt. Volgens haar was hij om te beginnen boos omdat hij
niet op de hoogte was van het verschijnen, ten tweede omdat zijn gedicht
ontzield was en ten slotte omdat het niet in een literair, maar in een
politiek tijdschrift verschenen was. Zijn eerste reactie was, nog steeds
volgens Ida, om de redactie van Rommelpot voor het gerecht te dagen, maar
een rechtsgeding zou veel deining veroorzaken en zou
de naam ‘Elsschot’ voor de rest van zijn leven verbinden aan de zakenman
De Ridder. (...) Als Rommelpot erin geslaagd was Elsschot te nekken,
tot daaraan toe. De naam ‘De Ridder’ moest ongerept blijven. (De Ridder
1994: 137)
Johan Anthierens zit met het Bormsgedicht van de door hem
zo bewonderde en bewierookte Elsschot erg verveeld, maar zijn ‘hoge woord
dat u met het Borms-gedicht fout zat’ moest eruit (Anthierens 1992:166).
In het geval Van der Lubbe reageerde u als humanist,
in het geval Borms als een een keer te veel door de Belgische staat getreiterde
Vlaming. Maar u bent in dat gedicht man en volk gaan idealiseren, en dat
was beneden uw intellectuele zwaartekracht. U, zittend anarchist, weet
beter. Idealisten zijn mensen die naar het Schone reiken en daarbij vaak
Schade aanrichten. Als zij dit niet inzien, en de meesten willen niet,
verkleint de stap van idealist naar booswicht. (…) Dit moést mij
uit de pen omdat vandaag nog rechts Vlaanderen uw Borms-hommage als een
icoon in zijn processies ronddraagt. Ik weet dat een moedig man zich niets
aantrekt van bijval van de overkant, maar in dit specifieke geval hebt
u zich ontpopt als de voorzanger van een koor verongelijkten met lijken
in hun kast. (o.c. 166-167)
Ook Anthierens heeft het moeilijk om te aanvaarden dat er
staat wat er staat, en ziet Elsschot liever als humanist en anarchist dan
als flamingant optreden. Marc Reynebeau schreef in juni 1992 een intelligente
reactie op de visie van De Ridder en Anthierens. Hun boeken waren nog niet
verschenen, maar Ida liet toen ‘cahiers’ met herinneringen aan Elsschot
verschijnen in Markant, ingeleid door Anthierens.
Opvallend is echter dat zowel Ida de Ridder als Johan
Anthierens Elsschot ideologisch sterker willen profileren en zelfs herpositioneren,
als een uitgesproken linkse antiklerikaal. (…) Zij proppen Elsschot in
een te strak politiek stramien van wat zij zich voorstellen van hoe de
goedgekeurde linkse vrijzinnige zich moet gedragen, onder meer dat hij
niets met het per se filofascistisch geachte flamingantisme te maken mag
hebben (…). Dat is een visie die op een wezenlijke burger-anarchist als
Elsschot niet van toepassing kan zijn. Hij bepaalde zelf zijn engagement
en voelde zich niet verplicht om tegenover wie dan ook politiek rekenschap
af te leggen, niet tegenover zijn tijdgenoten en evenmin tegenover zijn
biografen of memorialisten. (Reynebeau 1992:112-113)
Het weze opgemerkt dat Anthierens zich in zijn boek wel aansluit
bij deze laatste zin.
Tot slot zou ik willen proberen om Elsschots houding,
door Reynebeau m.i. al enigszins aangegeven, wat nader te bepalen. Eerst
en vooral wijs ik er – wellicht ten overvloede – nog even op dat Elsschot
beslist niet Duitsgezind was. Bekende anekdotes in dit verband zijn de
terugvordering door Elsschot van een piano van een joodse vriend van Ida,
door hem in bewaring gehouden maar door de Duitsers in beslag genomen,
en zijn poging om de Duitse jodin Esther aan een verblijfsvergunning te
helpen door haar bij hem in te schrijven als dienstmeisje (zie De Ridder
1994:109-117).
Wat bracht Elsschot er dan toe om ‘Borms’ te schrijven?
Het moet een ‘onberedeneerde innerlijke drang’ (Elsschot 1993:790) geweest
zijn, ontstaan uit een diepgewortelde verontwaardiging, want
in kunst mag niet geprobeerd worden. Probeer niet te
schelden als gij niet toornig zijt, niet te schreien als uw ziel droog
staat, niet te juichen zolang gij niet vol zijt van vreugde. Men kan proberen
een brood te bakken, maar men probeert geen schepping. Men probeert ook
niet te baren. Waar zwangerschap bestaat volgt het baren vanzelf, ten gepasten
tijde. (uit de inleiding tot ‘Kaas’, Elsschot 1992:427)
Elsschot benadrukt in zijn briefwisseling nogal eenzijdig
de ‘lyrische waarde’ van het gedicht. Toch had hij het in zijn brief aan
Georges Kelner over een ‘poème politique’, en dat is het inhoudelijk
ook onvermijdelijk. De ‘ondervinding’ waar hij het in een brief aan Frans
Buyens uit 1950 heeft, slaat allicht vooral op ‘Borms’:
Naar de vorm weet ik, bij ondervinding, dat het zéér
moeilijk is politieke of wijsgerige ideeën in een behoorlijke vorm
te gieten, vooral wanneer men het in rijmende verzen doen wil. (Elsschot
1993:795)
Ook inhoudelijk lijkt Elsschot alleen rekening te houden
met de ‘ingevingen van zijn gemoed’, zoals Boon het omschreef (Boon en
Elsschot 1989:105). Hierbij gaat Reynebeau ervan uit dat het Elsschot niet
te doen was om ‘complaisance met collaborateurs’, maar om een principieel
protest van een ‘burger-anarchist’ tegen de ‘arrogante staatsmacht’ die
zich het recht toe-eigent mensen te executeren. Nu besefte Elsschot heus
wel hoe controversieel het was uitgerekend Borms als onderwerp van protest
te nemen. Dat hij er niet voor terugschrikt over Borms te schrijven, kan
begrepen worden als we niet uitgaan van de links-rechtsverhoudingen waar
we nu zo vertrouwd mee zijn. Deze tweedeling dateert namelijk pas van de
Tweede Wereldoorlog.
Ze hoefde niet per definitie op te gaan voor iemand
met een politieke voorgeschiedenis als Elsschot. Twintig jaar tevoren,
kort na de Eerste Wereldoorlog, zag het fundamentele politieke antagonisme
voor iemand als hij (…) er heel anders uit. Zij zagen de toen dominante
tweespalt als die tussen enerzijds het ‘geestloze’, hypocriete materialisme
van de gevestigde, conservatieve en Franstalige burgerij en anderzijds
het revolutionair bedoelde idealisme van de Vlaamse jongeren. (…) Voor
die jongeren behoorde ook het Vlaamse nationalisme tot dat revolutionaire
kamp, omdat het een stroming was die zich keerde tegen de onderdrukkende,
burgerlijke Belgische staat. (Reynebeau 1996:46-47)
In dit kader lijken de schaarse politiek getinte publicaties
van Elsschot te passen – ook het ongepubliceerde gedicht voor Edgar Boonen
en de beruchte hulde aan Cyriel Verschaeve, geschreven op verzoek van de
(toen weliswaar nog niet zo verdachte) Karel Dillen (cf. Brouwers 1996).
Doorgaans hield Elsschot zich in het openbaar echter ver van politiek,
zoals blijkt uit zijn ‘Brief aan mijn zoon’ uit 1939:
Niet doen als Jan Breydel, Borluut, Piet Hein en De
Ruyter, maar het hoofd intrekken zoals de verstandige schildpad doet wanneer
zij onraad ruikt. (…) De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij. (…) Als
een vloedgolf heeft de politiek al het overige weggespoeld en wie durft
te zeggen dat, goddank, de zon toch nog schijnt, die wordt aangegaapt als
een restant uit het stenen tijdperk. (Elsschot 1979:77-80)
4
Besluit
Het gedicht Borms is in de loop van zijn ontstaansgeschiedenis
qua toon wat afgezwakt, maar naar politiek geladen inhoud is het versterkt.
Bij het verspreid raken van het gedicht bleken nogal wat literatoren bang
te zijn om met dit gedicht en zijn auteur geassocieerd te worden, of het
oprecht oneens te zijn met Elsschot – zoals bijvoorbeeld Boon. Elsschot
minimaliseerde bijgevolg enigszins de inhoud door de lyrische waarde te
benadrukken, maar hij is zijn gedicht steeds blijven verdedigen, ‘want
(…) een gedicht dat uw vrienden van u doet weglopen van kwaadheid, moet
wel een verdomd pakkend gedicht zijn’ (geciteerd in Van Aken 1960:332-333).
Dit ‘verdomd pakkend gedicht’ lijkt door De Ridder en Anthierens gebruikt
te zijn om Elsschot ideologisch strikt te definiëren, maar zo gemakkelijk
laat zijn eigenzinnige ongebonden houding zich niet omschrijven. Het laatste
woord is er dan ook beslist nog niet over geschreven.
5
Bijlagen
5.1 Bijlage
1: Verschillende versies van het Bormsgedicht in de briefwisseling
Klik hier.
5.2 Bijlage
2: Twee ‘apocriefe’ versies van het Bormsgedicht
Klik hier.
5.3 Bijlage
3: (a) ‘Borms’ van Willem Elsschot (b) Bewerkte versie
3a: Klik hier.
3b: Klik hier.
5.4 Bijlage
4: Verwante gedichten
Klik hier.
6 Literatuurlijst
In de tekst van deze scriptie komen er verwijzingen voor
met o.c. en ibidem. Deze verwijzen steeds naar het laatst vermelde werk.
Om correspondenten uit Elsschots briefwisseling te introduceren,
werd gebruik gemaakt van de bijlage in Elsschot 1993:1151-1180.
Johan Anthierens, Willem Elsschot. Het ridderspoor,
Meulenhoff/Kritak, Leuven, 1992
Johan Anthierens, ‘Dat verwenschte gedicht’ in: HP/De
Tijd, jg. 22 nr. 15, 12 april 1996, p. 58-61
Anne Baeyens, ‘BORMS, August’ in: Jozef Deleu e.a. (reds.),
Encyclopedie
van de Vlaamse Beweging 1 (A-L), Uitgeverij Lannoo, Tielt/Utrecht,
1973, p. 217-219
De Bijbel uit de grondtekst vertaald, Katholieke
Bijbelstichting, Boxtel, 1981
Louis Paul Boon en Willem Elsschot, Als een onweder
bij zomerdag. De briefwisseling tussen Louis Paul Boon en Willem Elsschot,
samengesteld door Jos Muyres en Vic van de Reijt, Em. Querido’s Uitgeverij
B.V., Amsterdam, 1989
Jos Borré, ‘Gerard Walschaps ‘Aan Borms’.’ in:
De
Vlaamse Gids, jg. 81 nr. 1, januari-februari 1997, p. 2-8
Jeroen Brouwers, ‘Het Vlaamse vlakgom’ in: De Groene
Amsterdammer, jg. 120 nr. 14, 3 april 1996, p. 20-21 (ook op http://www.groene.nl/1996/14/jb_borms.html)
Ida De Ridder, Willem Elsschot, mijn vader, Nijgh
& Van Ditmar, Amsterdam, 1994
Michel Dupuis, ‘21 januari 1933: Jan Greshoff en Menno
ter Braak op bezoek bij Willem Elsschot’ in: M.A. Schenkeveld-Van der Dussen
e.a. (reds.), Nederlandse Literatuur, een geschiedenis, Martinus
Nijhoff Uitgevers, Groningen, 1993
Gaston Durnez, ‘Elsschot en Borms: solidariteit staat
boven ideologie’ in: De Standaard, 28 december 1981, p.6
Willem Elsschot, Zwijgen kan niet verbeterd worden.
Ongebundelde teksten, samengesteld door Annemarie Kets-Vree, Loeb &
Van der Velden/Baart, Amsterdam/Borsbeek, 1979
Willem Elsschot, Verzameld werk, 14e druk, Em.
Querido’s Uitgeverij B.V., Amsterdam, 1992
Willem Elsschot, Brieven, samengesteld door Vic
van de Reijt m.m.v. Lidewijde Paris, Em. Querido’s Uitgeverij B.V., Amsterdam,
1993
Marcel Janssens, ‘Willem Elsschot als dichter’ in: Dietsche
Warande & Belfort, jg. 127 nr. 10, december 1982, p. 734-751
A.J.F. Kees, Balans 2. Nederlandse literatuurgeschiedenis
vanaf 1916, tweede druk, Van Walraven bv, Apeldoorn, 1988
René Felix Lissens, De Vlaamse letterkunde van
1780 tot heden, vierde druk, Elsevier, Brussel/Amsterdam, 1967
Marc Reynebeau, ‘Het is mij van het hart’ in: Knack,
jg. 22 nr. 25, 24 juni 1992, p. 112-113
Marc Reynebeau, ‘Heden is het zover’ in: De Vlaamse
Gids, jg. 80 nr. 2, maart-april 1996, p. 46-48
Marc Somers, ‘Het Bormsgedicht van Willem Elsschot en
het Nieuw Vlaams Tijdschrift’ in: Vlaanderen, jg. XLV nr. 263, november-december
1996, p. 268-273
Piet Van Aken, ‘Elsschot, de benijdenswaardige’ in: Nieuw
Vlaams Tijdschrift, jg. 14 nr. 3, 1960-1961, p. 332-333
Joost van den Vondel, De werken van Vondel. Derde deel
1627-1640, Maatschappij voor goede en goedkope lectuur [Wereldbibliotheek],
Amsterdam, 1929
Vic Van de Reijt, ‘Al die strofen, dat was een heel karwei.
Willem Elsschot en Borms.’ in: De tweede ronde, jg. 8 nr. 3, herfst
1987, p. 172-176
Karel Van Isacker, Mijn land in de kering 1830-1980.
Deel 2: De enge ruimte 1914-1980, Uitgeverij De Nederlandsche Boekhandel,
Antwerpen/Amsterdam, 1983
Bernard-Frans Van Vlierden, Willem Elsschot, in
de reeks Ontmoetingen, 2e druk, Desclée De Brouwer, Brugge, 1960
Simon Vestdijk, ‘De wortelstok der Forumpoëzie’ in:
Annemarie Kets-Vree (red.), Over Willem Elsschot. Beschouwingen en interviews,
BZZTôH, ‘s-Gravenhage, 1982, p. 74-79
Albert Westerlinck, Alleen en van geen mens gestoord,
in de Keurreeks van het Davidsfonds nr. 94, Davidsfonds, Leuven, s.d. [1964]
7
Inhoudsopgave
Klik op het sterretje om "de link te leggen"!
0 Inleiding *
1 Context *
1.1 Elsschot als dichter: van wolkendreigendheid tot
drek *
1.2 August Borms: ‘in houwe trouwe, u, Vlaanderen,
totterdood!’ *
2 Het Bormsgedicht *
2.1 Ontstaan van ‘dat verwenschte gedicht’ *
2.2 Het resultaat: een Oldenbarnevelt op krukken? *
3 Capita selecta uit de waarderingsgeschiedenis*
3.1 Onmiddellijke impact: ‘Al uwe minnaars hebben u
vergeten’ *
3.2 Latere nawerking: ‘De wijze gaat liefst onopgemerkt
voorbij’ *
4 Besluit *
5 Bijlagen *
5.1 Bijlage 1: Verschillende versies van het Bormsgedicht
in de briefwisseling *
5.2 Bijlage 2: Twee ‘apocriefe’ versies van het Bormsgedicht
*
5.3 Bijlage 3: (a) ‘Borms’ van Willem Elsschot (b)
Bewerkte versie *
5.4 Bijlage 4: Verwante gedichten *
6 Literatuurlijst *
7 Inhoudsopgave *