Voor 't eten van uw drek. Conceptie en receptie van Elsschots Bormsgedicht

Lieven Vandelanotte
 

Dit is de tekst van een scriptie gemaakt in de tweede kandidatuur bij professor Hugo Brems. De tekst dateert van december 1997.

De bijlagen zijn nu ook beschikbaar.

- Inhoudstafel bij deze scriptie -

0 Inleiding Het gedicht ‘Borms’, dat Willem Elsschot in de loop van 1947 schreef, is ongetwijfeld een van de meest controversiële geschriften uit de afgelopen eeuw in België. Door de stellingname in dit gedicht worden nu eenmaal een aantal belangrijke spanningsvelden uit de hedendaagse Belgische samenleving scherp opgeroepen: verzet-collaboratie, activisme-passivisme (maximalisten-minimalisten), Vlamingen-Walen, amnestie-repressie, katholieken-vrijzinnigen.

In deze scriptie zal ik om te beginnen Willem Elsschot als dichter situeren in het Vlaamse literaire landschap van de twintigste eeuw. Vervolgens wil ik de historische context van het gedicht – met name de figuur van August Borms – toelichten. Het belangrijkste gedeelte van dit werk bestaat uit twee luiken. Enerzijds tracht ik aan de hand van Elsschots briefwisseling het ontstaan van het gedicht te schetsen. Hieraan wordt een bespreking van het ‘resultaat’ – de definitieve versie – gekoppeld. Anderzijds gaat mijn aandacht naar de receptie van het gedicht, met name in literaire kringen.

1 Context
  1.1 Elsschot als dichter: van wolkendreigendheid tot drek
Onder invloed van Pol de Mont, leraar Nederlands aan het Antwerpse atheneum, beginnen de jonge Alfons De Ridder en enkele klasgenoten gedichten te schrijven in de geest van de Tachtigers. Ary Delen, een van hen, herinnert het zich als volgt: En het onvermijdelijke gebeurde: we gingen zelf verzen schrijven. Pastiches natuurlijk van Kloos en Gorter. En levenswijs dat we waren! (Van Vlierden 1960:12) Een aantal van deze gedichten is vormelijk gebrekkig en inhoudelijk onbenullig (‘Met tinten bekladderd / de hemelboog. / Leeuwerik fladdert / heel omhoog; (...)’ – Elsschot 1979:28), maar andere lopen dan weer heel vlot en zijn, als ‘allerindividueelste expressie van een allerindividueelst gevoel’, wel te waarderen:
‘k Ontwaak in ‘t rillerige, vale licht,
dat bleke morgend over de aarde giet:
mijn arme hoofd, dat stil ternederligt
is bang en leeg, en waagt zijn peinzen niet. (...) (Elsschot 1979:51)
Titels als ‘Openbaring’, ‘Avond’ en ‘Droom!’; samengestelde woorden als ‘nevel-daglicht’, ‘sneeuwmijmerij’, ‘wolkendreigendheid’ en ‘angstig-zoeken’ én de vele natuurbeelden, die soms aan Gezelles natuurgedichten doen denken, geven al aan dat De Ridder opging in het laat-romantische impressionisme van bijvoorbeeld een Kloos, aan wie hij overigens zijn gedicht ‘De Zee’ opdroeg.

De meeste jeugdgedichten werden door Elsschot niet opgenomen in Verzen van Vroeger, noch in het Verzameld Werk. Het lijkt wel alsof de Boorman in Elsschot – zeg maar de cynische zakenman – de Laarmans-gevoelsmens voor het grote publiek verborgen wilde houden. Af en toe zou een verontwaardigde Elsschot zich echter terug ‘als Laarmans’ laten zien, zoals bijvoorbeeld met ‘Borms’ het geval is.

De gedichten die Elsschot tussen 1907 en 1910 in Parijs en in Rotterdam schrijft, brengen een vormelijke versobering en inhoudelijke ontnuchtering: nu verschijnt volop

zijn corrosieve stijl, zijn grotesk-vervormende optiek, zijn ontmaskering van het kleine in de mens en zijn ironie die een zekere meewarigheid niet uitsluit. (Lissens 1967:202) Deze tien gedichten worden pas in 1933 gepubliceerd, en wel in het tijdschrift Forum, opgericht door Menno ter Braak en Edgar du Perron. Elsschot is dan ook een Forumdichter avant la lettre; hij is de ‘wortelstok der Forumpoëzie’ met zijn gedichten ‘van het soort dat niets liever doet dan loten uitzenden dwars door stenen en afval’ (Vestdijk 1982:75). In de programmaverklaring van het tijdschrift staat o.m. te lezen: ‘Wij verdedigen de opvatting dat de persoonlijkheid het eerste en laatste criterium is bij de beoordeling van de kunstenaar’ (geciteerd in Kees 1988:11). Dit impliceert een reactie tegen het estheticisme van de Tachtigers: in de discussie ‘Vorm of Vent’ kiest Forum voor de Vent – al waren ‘Forumschrijvers (...) beslist geen slechte vormgevers’ (ibidem). Hun stijl is die van de nieuwe zakelijkheid in proza en in poëzie (parlandopoëzie): Verworpen wordt, in ‘t algemeen, de opvatting als zou de literaire taal een anders geaarde, verbloemde versie behoren te brengen van de spreektaal die door Jan en Alleman wordt gehanteerd. (...) De taal raakt weer ingepast in de concrete werkelijkheid: nu eens is ze mededelend en nuchter zondermeer, dan weer neemt ze haar toevlucht tot al even gangbare denk- en spreekmechanismen als de humor, de ironie, de satire enzovoort. (Dupuis 1993:649) Naar de inhoud kan men Elsschots poëzie indelen in ‘familiale’ verzen zoals ‘Moeder’ of ‘Het huwelijk’, sociale verzen zoals ‘Tot den arme’ (twee gedichten dragen die titel), opstandige verzen zoals ‘Brief’ of ‘Borms’ en echte gelegenheidsgedichten zoals ‘Aan Willem Gijssels’. Het spreekt voor zich dat deze ‘categorieën’ elkaar kunnen overlappen. Naar de vorm volgt Elsschot een classicistische poëtica: Toen de symbolisten de alexandrijnen al lang vermoord hadden, toen het modernisme zich stilaan destructief een weg baande dwars door de afgepaalde paadjes van de classicistische poëtica (ook bij ons), toen het vrije vers langs Walt Whitman, Emile Verhaeren en Franz Werfel bij ons binnendrong en de verstechnische, incluis strofische regelmaat brutaal uit zijn hengsels lichtte, bleek dat allemaal Willem Elsschot niet in het minst te raken of te beïnvloeden. Kennelijk meent hij dat poëzie om poëzie te zijn ‘volgens de wet’ moet rijmen en in gelijke strofen geleed moet zijn. (Janssens 1982:738-739) Elsschot zelf licht zijn opvatting bondig toe in een brief aan P. Ruivenkamp, toen een leerling aan de middelbare school, in 1950: Ik ben tot schrijven gekomen door een onberedeneerde innerlijke drang. De taak van een schrijver is zichzelf zo volledig mogelijk uit te spreken als hij durft en zo helder, sierlijk en classiek als hij kan. (Elsschot 1993:790) Elsschots poëzie kan ‘anekdotisch’ genoemd worden door haar chronologische ordening, haar opdrachten in of onder de titel en door andere verwijzingen naar de buitentekstuele werkelijkheid (Janssens 1982: 737). Een andere karakterisering van Marcel Janssens is ‘gedramatiseerde lyriek’: de dichter, die iemand (retorisch) aanspreekt, ‘maakt van zijn gedichten minitoneeltjes met een hoog dramatisch voltage’. Zo lezen we in een van zijn beste gedichten, ‘Het huwelijk’ (een novelle in dichtvorm?): Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land. (Elsschot 1992:757)
Om af te ronden wijs ik nog op Elsschots bekende bittere, sarcastische toon (denk bij uitstek aan ‘Bij het doodsbed van een kind’), en op een aantal vaste elementen in zijn metaforiek: ‘verlichamelijking, verdierlijking, verlelijking, vergroting om te kunnen verkleinen’ (Janssens 1982:745). Sprekende voorbeelden van zijn schokkende beeldspraak zijn o.m. te vinden in ‘De bult spreekt’ en in ‘Borms’: Uw gratie lag gereed voor ‘t buigen van uw nek,
voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek. (Elsschot 1992:767)
  1.2 August Borms: ‘in houwe trouwe, u, Vlaanderen, totterdood!’
August Borms , collaborateur tijdens beide wereldoorlogen, werd in 1946 geëxecuteerd. In wat volgt zal ik een aantal van zijn activiteiten de revue laten passeren (cf. Baeyens 1973:217-219).

Hij ging ‘louter uit Vlaamsgezindheid’ (o.c. 217) Germaanse filologie studeren in Leuven (1896-1902). Aan het werk in Peru tussen 1903 en 1906 herkende hij in de verdrukking van de Incataal door het Spaans iets van de Vlaamse kwestie. Hij werd een heel actieve flamingant, die zich inzette voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit, voor de Vlamingen in Frans-Vlaanderen, voor de splitsing van het Belgisch leger en voor de schoolwet van 1914.

Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog geloofde Borms nog in een sterker Vlaanderen in het België van na de oorlog: "Alle Belgen, Vlamingen en Walen, moeten samen vechten tegen de Duitsers." (ibidem). Geleidelijk aan raakte hij er echter van overtuigd dat de achteruitstelling van Vlamingen na de oorlog zou voortduren, en werd hij radicaler.

Borms schaarde zich achter de Flamenpolitik. In eigen publicaties pleitte hij voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit, en in 1917 werd hij lid van de Raad van Vlaanderen, een institutionalisering van het activisme met Duitse steun. Op 22 december van dat jaar riep de Raad op Borms’ voorstel de onafhankelijkheid van Vlaanderen uit, waarop de Duitsers de Raad tot ontslag dwongen. Naar aanleiding van de verkiezingen voor een tweede Raad, werd o.m. Borms op 8 januari 1918 door het Belgische gerecht gearresteerd, maar door de Duitsers terug vrijgelaten nog voor de procedure begonnen was. Borms werd even later Gevolmachtigde voor Nationaal Verweer. Na het ontslag van de Gevolmachtigden in augustus, werd hij Zaakgelastigde voor Landsverdediging.

Na de oorlog vluchtte Borms niet. Hij werd dan ook gearresteerd en veroordeeld tot de doodstraf, die omgezet werd in levenslang. Borms weigerde in te gaan op een voorstel van de regering in 1921 om hem vrij te laten als hij zich verder zou onthouden van Vlaamse actie. Vrij kwam hij toch: de Frontpartij stelde hem in 1928 kandidaat voor de Kamer, en hij werd met grote meerderheid – ongeveer twee derde van de stemmen – verkozen. De verkiezing werd ongeldig verklaard, maar Borms werd op 17 januari 1929 wel vrijgelaten.

Tijdens het interbellum bleef hij actief in het Vlaams-nationalisme, maar had geen leidende rol. Op 10 mei 1940 werd hij, samen met andere Belgen die van een extreem Vlaams standpunt verdacht werden, gedeporteerd naar een militaire gevangenis in Orléans. Wanneer hij in juli terugkeert, kiest hij opnieuw voor de bezetter: hij voerde propaganda voor het Oostfront en nam de leiding van het Bormsfonds, ‘dat was opgericht om de schade, aan de activisten door de repressie na 1918 berokkend, te vergoeden en [om] hen in ere te herstellen’ (o.c. 219). Na deze oorlog vlucht hij wel, maar wordt gearresteerd en ter dood veroordeeld. Hij weigert genade te vragen aan de Prins-regent, en wordt op 12 april 1946 – twee dagen voor zijn achtenzestigste verjaardag – geëxecuteerd:

Voor een honderdtal nieuwsgierigen schoten twaalf rijkswachters een in de touwen hangende, kreupele oude man neer. Een lafheid, erger dan een moord, die alleen in een land van barbaren mogelijk is. (...) Met de man die vóór de executie ‘in houwe trouwe, u, Vlaanderen, totterdood!’ riep, die nooit voor zichzelf had geleefd en geld en roem onbelangrijk vond, verdween de generatie van de idealisten. (Van Isacker 1983:162-163) Een heel ander geluid is te horen bij Jeroen Brouwers: Aan deze Duitsvriendelijkheid was alles fout, en wie het allemaal wil blijven verdoezelen onder het begrip ‘naïveteit’ lijkt met een zwarte lap voor zijn ogen en zijn vingertoppen in een gipsverband uit een brailleboek te willen voorlezen. (Brouwers 1996:20) Brouwers – een Nederlander – kan zich allicht moeilijk inleven in de Vlaamse zaak, en gaat vrolijk voorbij aan het feit dat de repressie voor een groot deel wreed en willekeurig was; een gelegenheid om vetes te beslechten, een kans om te straffen eerder dan te oordelen. Voor hem is fout, fout. Willem Elsschot, die in 1946 een stevige reputatie als schrijver had opgebouwd, die zeker niet van Duitse sympathieën verdacht kan worden en die Borms nooit had ontmoet, kent de Vlaamse zaak maar al te goed, klimt verontwaardigd in zijn pen en produceert stap voor stap een striemend hekeldicht, dat hem in literaire kringen én daarbuiten niet in dank zou worden afgenomen. In een brief uit 1958 aan bewonderaar Jan C. Villerius schrijft hij over Borms: (...) Na de laatste oorlog werd hij ter dood veroordeeld. Men liet hem nog een paar jaar leven in zijn cel en toen hij 70 ging worden werd hij plotseling gefusilleerd. Een paar maanden later zou dat niet meer gebeurd zijn want het schijnt een gebruik te zijn, zo heb ik tenminste gehoord, dat men geen mensen van 70 en ouder nog fusilleert. Zelf erg vlaamsgezind zijnde heeft dat dood schieten mij zo geërgerd dat ik niet heb kunnen weerstaan aan de drang om op hem een gedicht te schrijven. (Elsschot 1993:1007-1008)
 
  2 Het Bormsgedicht
  2.1 Ontstaan van ‘dat verwenschte gedicht’
In bijlage 1 zijn de verschillende versies van het Bormsgedicht uit de briefwisseling, samen met de versies uit het poëziealbum van Carla Walschap – dochter van Elsschots overbuur, Gerard – naast elkaar afgedrukt. Toevoegingen en wijzigingen zijn blauw en cursief gedrukt. Als een variant bovendien teruggrijpt naar een eerdere versie, is deze onderlijnd. De briefnummers bovenaan de bladzijde verwijzen naar de uitgave bezorgd door Vic van de Reijt (Elsschot 1993:642-672). Aan de linkerzijde van het gedicht worden met ‘t’ titel en opdracht, met ‘m’ motto, met de cijfers 1 tot 10 de strofenummers en met ‘o’ ondertekening en datering aangeduid. In wat volgt wordt steeds met strofenummers van de definitieve versie gewerkt. Naar de derde strofe van de eerste versie wordt dus verwezen met ‘strofe 4’. Varianten op het gebied van spelling (zoals Vlaanderen’s vs. Vlaanderens), interpunctie en diakritische tekens (zoals Dat vs. Dàt) en gebruik van hoofdletters (zoals Kardinaal vs. kardinaal) zijn in deze weergave terug te vinden, maar worden niet als varianten gemarkeerd. Ook de onvermijdelijke wijzigingen in de ondertekening en datering zijn niet extra aangeduid. Merk op dat er nog niet ontdekte kopieën van het gedicht, door Elsschot verstuurd, moeten bestaan (Elsschot 1993:662).

Van de vijf strofen die de eerste versie telt, is er slechts één die ongewijzigd zou blijven (strofe 8). Het begin van de eerste strofe zou heel geleidelijk, maar vrij grondig veranderd worden. De vierde en de laatste strofe krijgen echter al in de tweede versie hun definitieve vorm. In de vierde strofe wordt het polysyndeton versterkt door alliteratie van de ‘d’ en door een meer expressieve, oudere vorm van ‘durfde’, ‘dorst’. Het verstand moet plaats maken voor het gevoel in de laatste regel van deze strofe. In de laatste strofe wordt het envoi een opdracht, en wordt de wat haperende constructie ‘Nu weet dan’ vlot getrokken. Ten slotte wordt de derde strofe, gesteld in zeer expressieve spreektaal, toegevoegd.

Over de derde versie schrijft Elsschot in een brief aan schoonzoon Georges Kelner: ‘J’ai encore ajouté deux strophes, mais maintenant c’est complet’. Zoals zal blijken, was dat wat voorbarig. In strofe 3 wordt het ‘Vlaamsche volk’ vervangen door ‘uw dierbaar volk’. Later zou Elsschot door de wijziging in de tweede regel van het gedicht de klemtoon op Vlaanderen nog wat afzwakken. Van de toegevoegde strofen 5 en 6 zou 5 niet veel meer veranderen, maar de zesde strofe liep niet goed en wordt in de vierde versie definitief ten goede veranderd:

J’ai encore changé la 6e strophe dont le début (Eenieder had te doen) ‘tombait’ un peu, c’est-à-dire n’avait pas toute l’intensité de la strophe précédente. C’est réparé. Maintenant je n’y toucherai plus. Je crois que, comme poème politique, on n’a jamais produit mieux dans les Pays-Bas. (Elsschot 1993:648) Verder worden de ‘enkele soldeniers’ voorgoed ‘rechters-soldeniers’ en verdwijnt de ondertekening met ‘Willy’. Deze vierde versie, daterend van 1 maart 1947, zendt Elsschot op naar het Nieuw Vlaamsch Tijdschrift, en op 5 maart stuurt Elsschot enkele wijzigingen door aan Hubert Lampo, de redactiesecretaris. De versie die aldus ontstond, staat niet in de Brieven, maar moet ongeveer overeenkomen met versie 5, brief aan Henri Dirkx. Elsschot wil namelijk onder de titel de opdracht ‘Aan Camiel Huysmans’ zetten, en om tweemaal AAN te voorkomen, verzoek ik U AAN BORMS te wijzigen in het eenvoudige BORMS
(Somers 1996:270)
Bovendien verschijnt nu voor het eerst het bijzonder welluidende begin ‘Gij zijt mij vreemd geweest’: De reden hiervan is dat de eerste regel van de 6e strophe eindigt op "ik heb hem niet gekend". En ik vind dat in een gedicht van die lengte nooit twee dezelfde uitdrukkingen mogen voorkomen. (o.c. 269-270) In de reeds vermelde vijfde versie uit bijlage 1 is de opdracht aan Huysmans niet aanwezig, en werd ‘buigen’ in de derde strofe veranderd in ‘lenigen’. In de zesde versie wordt deze laatste verandering echter weer ongedaan gemaakt. Verder wordt een opdracht ‘Aan zijn zoon’ toegevoegd – de brief in kwestie is aan Jan Borms geadresseerd – en wordt ‘Vlaanderen’ uit de tweede regel weggewerkt: ‘dat gij onze leus manmoedig hebt gediend’. ‘Eeuwig’, in de laatste strofe, wordt door Elsschot met de hand veranderd in ‘immer’, en ‘stilzwijgend’ in de tweede strofe in ‘afwezig’. Deze laatste wijziging zal pas ongedaan gemaakt worden bij de publicatie in het Verzameld Werk (of al in de bibliofiele uitgave van de gedichten in 1954?).

In de zevende versie krijgt de beginregel zijn definitief beslag: ‘vermetele’ oude vriend. De opdracht wordt geschrapt, en in de vijfde strofe wordt ‘wij allen’ vervangen door ‘zijn dienaars’. Deze laatste wijziging zal Elsschot niet behouden. In het begeleidend briefje aan Frans Smits schrijft hij:

Zoo erg is het immers niet? En daar moest toch één van ons iets over zeggen? Waarom dan gewacht tot zijn eigen geloofsgenooten, die hem laffelijk in den steek lieten, het zullen uitkraaien als het minder gevaarlijk zal zijn? (Elsschot 1993:654) In de achtste versie is de negende, sterk spottende strofe toegevoegd. Een doorslag van deze versie zond Elsschot naar Frans Smits (negende versie) – het ‘groot ornaat’ is inmiddels gewijzigd in de idiomatische uitdrukking ‘vol ornaat’ – met de volgende verantwoording voor de nieuwe strofe: (...) om het voor onze katholieke vrienden, de schijthuizen die voor B. iets hadden kúnnen doen, heelemaal onaannemelijk te maken. (o.c. 658) De tiende en elfde versie werden door Elsschot in het poëziealbum van Carla Walschap geschreven, met de volgende boodschap: Liefste Carla,
Schaar u steeds aan de zijde der verdrukten en wees mijn woorden indachtig:
‘Langs de baan zal ik hem onderrichten: dat hij de gevulde hand moet afstooten, dat hij niet bukken mag voor ‘t geweld, juichen noch rouwen op bevel van de machthebbers.’
Tsjip, laatste hoofdstuk. W.E. (o.c. 670 en 672)
In de versie die Elsschot op 8 april schreef, werden voor het eerst de heel toepasselijke motto’s uit de bijbel toegevoegd. De wat al te pathetische ‘helden’ worden ‘dapperen’ en de ‘gruweldaad’ wordt veranderd in ‘snoode daad’. Later – volgens Van de Reijt (om onduidelijke redenen) vóór 26 juni – bracht Elsschot in een andere inktkleur drie wijzigingen aan én voegde hij de zevende strofe toe. Van ‘onversaagd ons Vlaanderen’ over ‘onze leus manmoedig’ heeft Borms nu ‘Neerlands vaan manmoedig gediend’. Het metrisch probleem in de derde regel van de vierde strofe – twee lettergrepen te weinig voor een alexandrijn – wordt opgelost door toevoeging van ‘finaal’. De dienaars, die in versie 7 ‘wij allen’ kwamen vervangen, worden weer wandelen gestuurd. Deze variant is allicht verkieslijk om het contrast te vormen met ‘ons allen’ in de vierde strofe: we mogen dan wel allen geraakt worden door dat salvo, uiteindelijk zijn wij allen laf blijven zwijgen.

Volgens Van de Reijt (o.c. 670) bereikte het Bormsgedicht hiermee zijn definitieve versie. Vreemd genoeg is er in het Verzameld Werk (twaalfde versie) toch nog een verschil: de regent, die sinds de zesde versie ‘afwezig’ was, wordt nu terug ‘stilzwijgend’.

Nu zijn er nog op zijn minst twee versies bekend die moeilijk te dateren zijn (bijlage 2). Op 9 april 1949 verscheen in het Vlaams-nationale satirische weekblad Rommelpot een versie die, volgens redacteur Daniël Merlevede (Durnez 1981:6) enkele weken na de executie van Borms (12 april 1946) op de redactie bezorgd werd door een ‘raar ventje’. Als dit klopt, zou deze versie een ‘oerversie’ zijn uit april-mei 1946. Daarna verstrijkt ruim een half jaar vooraleer het gedicht in de briefwisseling opduikt in februari 1947.

Uitgaande van de juistheid van deze hypothese, worden in bijlage 2 de verschillen met de eerste versie uit de briefwisseling aangeduid. Deze vergelijking lijkt de hypothese te bevestigen: alle wijzigingen, op één na, bleven in de volgende versies gehandhaafd. Alleen in de voorlaatste regel zou Elsschot op zijn stappen terugkeren, maar dat gebeurt wel vaker (in de 12 versies van bijlage 1 grijpt Elsschot drie keer terug naar een oudere variant). Opvallend is dat opnieuw een verwijzing naar ons land (Vlaanderen, Vlaanderland, ons Land,...) wordt gewijzigd: ‘dit Vaderland’ wordt wat afgezwakt tot ‘ons Land’. De verandering in het tempus van de werkwoorden ‘trof’ en ‘begreep’ lijkt te benadrukken dat de beschreven toestand voortduurt.

Een tweede ‘apocriefe’ versie verscheen in het Vlaams-nationaal weekblad Opstanding op 12 april 1952, en circuleerde in de vroege jaren ‘50 ook als vlugschrift in Antwerpen. De datering van deze versie is bijzonder problematisch. Door de aanwezigheid van de motto’s en van de varianten ‘dapperen’ en ‘snoode daad’, mogen we ervan uitgaan dat deze versie dateert van na 20 maart 1947 (versie 9 in bijlage 1), maar veel meer valt er niet over te zeggen. Van de Reijt (Elsschot 1993:665) gaat ervan uit dat deze versie vóór versie 10 (8 april) moet gesitueerd worden door het ontbreken van de zevende strofe. Volgens mij moet deze tekst echter tussen versie 10 en versie 11 – dus ná 8 april – zijn omdat de varianten ‘finaal’ en ‘wij allen’ al aanwezig zijn. In versie 11 worden dan nog de variant ‘Neerlands vaan’ en de zevende strofe toegevoegd. De varianten ‘gekist’ en ‘en bedelt’, en de verkeerde spelling van de naam, zijn wellicht zetfouten én wijzen erop dat deze publicatie niet geautoriseerd is door Elsschot.

Tot besluit van dit overzicht van tekstgenese zou ik stellen dat, behalve het vlottrekken van manke constructies en twijfels over het juiste woord, de aangebrachte wijzigingen en toevoegingen van tweeërlei aard zijn. Enerzijds verzwakt Elsschot de pathetiek enigszins door het gebruik van meer neutrale woorden als ‘ons Land’, ‘dierbaar volk’ en ‘Neerlands vaan’ in plaats van vader- en Vlaanderland, en ‘dapperen’ in plaats van ‘helden’. Anderzijds voegt Elsschot erg plastische (3), moraliserende (5-7) en sarcastische (9) strofes toe. De vijfde en de negende strofe kunnen wijzigingen ‘van politieke aard’ (Reynebeau 1996:47) genoemd worden omdat hierin uitdrukkelijk de lafheid van de Kerk in de verf gezet wordt, waar elders in het gedicht dezelfde behandeling al te beurt viel aan de Staat. Zo is Elsschot geslaagd in zijn poging om iedereen een veeg uit de pan te geven, zoals hijzelf in een gesprek met Jan C. Villerius in 1958 zei:

En dan dat vers over Borms! Al die strofen, dat was een heel karwei, maar ik heb mijn best gedaan. Het was mijn bedoeling iedereen zijn deel te geven: de Belgen, de Hollanders, de Regent hier, Hare Majesteit bij jullie, de Paus, de katholieken en zo is het gebeurd. (Van de Reijt 1987:175)
  2.2 Het resultaat: een Oldenbarnevelt op krukken?
'Borms' begint met twee motto’s uit de bijbel, waarmee de agnosticus Willem Elsschot bijzonder vertrouwd was. Het eerste is afkomstig uit het boek Prediker, dat doordrongen is van het besef van ijdelheid. Het derde hoofdstuk van dit werk gaat uit van de vaststelling van ‘de onrechtvaardigheid in de wereld, vooral het ontbreken van een juiste vergelding voor goed en kwaad’ (De Bijbel 1981:920). Het tweede is afkomstig uit het dertigste hoofdstuk van het boek Jeremia. Dit is het eerste hoofdstuk van vier waarin ‘heilsprofetieën over het herstel van Israël en Juda’ (o.c. 1143) uitgesproken worden. Jahwe kondigt in dit ‘kleine troostboek’ (o.c. 1180) aan dat de verlossing – na grote moeilijkheden en niet zonder zijn rechtvaardige straffen, waardoor ‘al uw minnaars u vergeten zijn’ – komen zal.

Het eigenlijke gedicht (bijlage 3a) is geschreven in alexandrijnen (jambische dodecasyllaben), vaak zelfs compleet met cesuur (bv. ‘voor ‘t beven van uw lip, voor ‘t eten van uw drek’). Er zijn geregeld afwijkingen van het jambisch grondpatroon om extra nadruk te leggen (cf. bijlage 3b). De strofen tellen telkens vier verzen, die onderling gepaard rijmen (aabb).

De eerste strofe is door de assonantie met ij en ee bijzonder sonoor. Borms is Elsschot inderdaad vreemd geweest: Elsschot heeft Borms nooit ontmoet en kan beslist niet van Duitsgezindheid verdacht worden. Borms’ zoon Edmond verklaarde in dit verband in 1992:

Ik weet dat zowel vader als zoon De Ridder socialistische sympatieën koesterden, maar ik weet ook dat ze in Borms de mens en de idealist hoogachtten. (Somers 1996:273) Borms wordt een ‘oude’ vriend genoemd. Het is opvallend hoe de connotatie van dit woord, dat in het gedicht vier keer voorkomt, afwisselend positief en negatief is: ‘oude vriend’, ‘oude krukkenvent’, ‘oude romp’, ‘oude tyrannie’. Ook de aanduiding ‘Neerlands vaan’ is opmerkelijk. Elsschot lijkt hiermee het Grootnederlands gedachtegoed van Borms te willen benadrukken. In eerdere versies stond op deze plaats immers ‘ons Vlaanderen’ of ‘onze leus’. In heel het gedicht is de nadruk op Vlaanderen trouwens binnen de perken gehouden: in de definitieve versie komt het woord slechts twee keer voor, waarbij het de tweede keer dan nog geperverteerd wordt (‘de Wet van Vlaanderens eergevoel’ is m.i. ironisch).

In het gedicht wordt sterk de nadruk gelegd op ieders medeplichtigheid in het laffe zwijgen: ‘een ieder weet’, ‘wij allen zwegen stil’, ‘een ieder zwoer bij God’. Op dezelfde hoogte staat de schijnheiligheid van allerlei instanties of instituties, die uiteenvallen in twee categorieën: de Belgische staat, die de Vlamingen strak in het gareel houdt (‘de Staat’, ‘de Regent’ = ‘dat tuig’) enerzijds, en de katholieke kerk, die volgens Elsschots voorspelling Borms als martelaar zal opvoeren eens het gevaar geweken is, anderzijds (‘de Paus’, ‘de Kardinaal’).

Herhaling, parallellie en contrast zijn belangrijke bouwstenen van 'Borms': voegwoorden (en, maar, noch...noch), anaforen (‘voor ‘t buigen...voor ‘t beven...voor ‘t eten’, ‘dat kon, dat wilde of dorst men niet verstaan’), dubbelvormen (‘herzegend en verkist’) en terugkerende woorden (‘peloton’, ‘oud’) zijn her en der aan te wijzen. De derde strofe is hier een sprekend voorbeeld van.

In deze derde strofe verwijst Elsschot naar het feit dat Borms weigerde genade te vragen aan de Prins-regent: Borms bedankte voor een gratie in ruil voor onderdanigheid en monddoodheid. Dit wordt uitgedrukt in een schier scatologisch parlandovers (‘Uw gratie lag gereed...voor ‘t eten van uw drek’). Dit soort van cynische beeldspraak werd door Marcel Janssens als volgt bondig samengevat: ‘Elsschot kon het wel over zijn hart maar niet over zijn lippen krijgen’ (Janssens 1982:749).

Het gewone spreektaalvers is niet overheersend: heel wat verzen zijn bepaald hoogdravend. De zesde strofe is in dit opzicht exemplarisch: na echte geciteerde spreektaal komt een bijzonder pathetische en met retorische effecten gelardeerde uitroep (‘O lafheid ongehoord, o niet te delgen schand...’).

In de volgende strofe wordt met de verwijzing naar het huis van Oranje opnieuw, zoals in de eerste strofe, verwezen naar de Grootnederlandse gedachte. Ook vanuit die kant komt echter geen hulp, waarop Elsschot met een sententieachtig vers concludeert: ‘wie eenmaal is gedoemd vindt nergens meer gehoor’. Borms wordt dan ook ‘in allerijl vermoord’. Zoals blijkt uit het het citaat op pagina drie, meende Elsschot dat hij binnenkort zeventig werd, en dat men geen mensen van zeventig of ouder executeert. In feite was Borms op twee dagen na achtenzestig.

Het slot van de achtste strofe is misschien wat dubbelzinnig. In een belangrijke brief van Boon, waarop ik nog nader zal ingaan, schrijft Boon ondermeer dat hij geen ‘termen (wil) onderschrijven zoals "Vlaanderen’s Eergevoel" ’ (Elsschot 1993:663). Brouwers noteert in zijn artikel dat Elsschot ‘in de fusillade van Borms de zoveelste doodklap van ‘Vlaanderens eergevoel’ (zag)’ (Brouwers 1996:21). Naar mijn mening (zie ook De Ridder 1994:138) is deze zin echter bijtend-ironisch, en sluit de volgende strofe er dan ook naadloos bij aan: eens het gevaar geweken is, zal Borms door de kerk tot martelaar gecatapulteerd worden. In deze interpretatie zou op het eind van de achtste strofe even goed een dubbele punt kunnen staan.

In de laatste strofe spreekt Elsschot het ‘lijdzaam volk’ aan en roept het op tot actief protest: stamelend bidden of bedelen haalt niks uit.

Dit gedicht wordt – naar het voorbeeld van Elsschot zelf – graag vergeleken met de Geuse Vesper van Vondel, geschreven ter ere van raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt, die met zijn ‘stokske’ het schavot opklauterde (bijlage 4). Ook in dit gedicht wordt de nadruk gelegd op de hoge leeftijd van de geëxecuteerde, en wordt besloten met een aanspreking. Albert Westerlinck merkte op dat ‘het Bormsgedicht (...) beïnvloed (is) door de plechtige en verontwaardigde stijl van Vondels meest bijtende hekeldicht’ (Westerlinck 1964:196). Elsschot zelf schrijft in een brief van negen juli 1947 aan de bevriende schrijver Peter van Steen:

Wat het gedicht aan B. betreft, zand daarover. Het eenige wat mij erin interesseert is de lyrische waarde en om die te kunnen beoordeelen moet men abstractie maken van de politiek. Het gedicht van Vondel op Oldenbarnevelt vind ik prachtig, maar ik weet absoluut niet of die man onschuldig was. Ik heb nu eenmaal de verwenschte manie om, als het ware automatisch en onbewust, aan de zijde van de slachtoffers te gaan staan, peu importe of het democraten of fascisten, Franschen of Duitsers zijn. Ik heb een instinctmatige afkeer voor de overwinnaars, wie of wat ze ook zijn mogen en het zou mij liever zijn dat zij aan den slag bleven tot beide partijen, na een eeuw of zoo, zich plotseling zouden afvragen ‘zijn wij eigenlijk niet gek?’.
(Elsschot 1993:684)
Deze houding, die ook af te lezen is uit ‘Van der Lubbe’ (over de jonge communist die onthoofd werd op beschuldiging van brandstichting in de Reichstag, zie bijlage 4), en die enigszins in tegenspraak lijkt met een eerder geciteerde brief, waarin Elsschot het over ‘Borms’ ‘comme poème politique’ had, zal belangrijk zijn voor het vervolg van mijn verhaal (3.2). 3 Capita selecta uit de waarderingsgeschiedenis
  3.1 Onmiddellijke impact: ‘Al uwe minnaars hebben u vergeten’
In wat volgt wordt nader ingegaan op Elsschots pogingen om zijn gedicht in een literair tijdschrift gepubliceerd te krijgen, op het einde van de vriendschap met Boon als gevolg van zijn afwijzing van het gedicht, en op de geruchtmakende publicatie van een heel vroege versie van het gedicht in Rommelpot in 1949.

Op 1 maart 1947 stuurt Elsschot de vierde versie van zijn gedicht naar Herman Teirlinck, directeur van het Nieuw Vlaamsch Tijdschrift, waarin hij al ‘Het dwaallicht’ en ‘Van der Lubbe’ had laten verschijnen. Diezelfde dag had Elsschot aan schoonzoon Georges Kelner geschreven: ‘Je l’adresse au Nieuwe Vlaamsche Tijdschrift et je me demande quelle tête ils vont faire’ (Elsschot 1993:648).

Teirlinck organiseert een schriftelijke stemronde onder de redactieleden. Een aantal onder hen zegt kortweg ‘neen’: Raymond Brulez, Raymond Herreman, Karel Jonckheere (‘Het is een slecht gedicht’, Somers 1996:271), Julien Kuypers, Achille Mussche, Albert Van Hoogenbemt (‘Ik vind het gedicht (...) zeer slecht.’, ibidem), Maurice Roelants, Herman Vos en ook directeur Teirlinck en redactiesecretaris Hubert Lampo. Johan Daisne was ook tegen plaatsing, maar verantwoordde zijn mening uitvoerig: het gedicht is ‘van geen exceptionele poëtische waarde’, hij wil niet bijdragen tot het eerherstel van een man die hij niet gekend heeft, en hij houdt rekening met de openbare opinie: ‘Het geval Borms heeft voorzeker zijn menselijke kant, maar het is nog te fris in onze geschiedenis, om niet op de eerste plaats politiek te zijn.’ (o.c. 270).

Bert Decorte en Piet van Aken zeggen kortweg ‘ja’. Maurice Gilliams stemt ook vóór, omdat ‘de nuchtere lieden van goede wil (...) het uiterste der onverdraagzaamheid waar we thans in versukkeld zitten erg beu aan het worden (zijn)’, al vindt hij Elsschots ‘ontboezeming (...) als "gedicht" bepaald onoogelijk (...)’ (ibidem). Ferdinand Victor Toussaint van Boelaere heeft niets tegen plaatsing,

al heeft het gedicht geen diep accent. Onze geuzenliederen, hoe onvolmaakt ook, kwamen uit een overtuiging en een innigheid des harten waar men eerbied voor hebben moet. Bij deze liederen vergeleken, doet het vers van Elsschot mij banaal aan – alleen geschreven om den cynicus uit te hangen. (o.c. 271) Elsschots overbuur Gerard Walschap plaatst het gedicht wél op dezelfde hoogte als de geuzenliederen: Het gedicht is middelmatig, maar de menschelijke belijdenis verheft het. Elsschot’s eerbetoon aan een held, die in zijn oogen altijd een dwaas is geweest en dien hij nooit heeft gevolgd, verdient dat wij een even hooge houding aannemen tegenover zijn gedicht, zooals de katholiek een geuzenlied en de vrijzinnige [een] referein van Anna Bijns weet te eeren. In wezen trouwens is het minder een hulde aan Borms dan een protest tegen "de oude tyrannie" dat onze volle instemming kan meedragen. Het feit dat dit gedicht uitspreekt wat in zeer velen leeft die thans niet mogen of kunnen spreken, vergt van ons én meer verdraagzaamheid én meer moed om deze stem te laten hooren. (ibidem) De houding van de latere auteur van ‘Zwart en Wit’, die ook nog van Duitsgezindheid verdacht werd, is des te interessanter als men weet dat Walschap reeds de dag nà Borms’ executie een (tijdens zijn leven nooit gepubliceerd) pleidooi schreef tegen ‘het neerschieten van den ongevaarlijken ouderling die zijn leven had verknoeid aan een foute vaderlandsliefde’, onder de titel ‘Salvos knallen, gewetens knagen’ (Borré 1997:5).

Terug naar het N.V.T. nu. Dit tijdschrift weigerde het gedicht dus, maar intussen had Elsschot het zélf al teruggetrokken ‘om het Nieuw Vlaamsch Tijdschrift onaangenaamheden en misschien ernstige moeilijkheden te besparen en ook om persoonlijke redenen die u niet interesseeren’ (brief aan Lampo van 17 maart 1947, Somers 1996:271). Een dag eerder had hij ook al aan Frans Smits zijn intrekking meegedeeld (Elsschot 1993:655). Volgens Johan Anthierens trok hij het niet in uit angst voor een weigering, maar omdat hij ‘de hele maand maart aan zijn beeld van ‘Borms’ blijft schaven en krullen’ (Anthierens 1993:61). Dit lijkt mij niet de reden. Elsschot trok het gedicht terug omdat hij gehoord had van de bezwaren in de N.V.T-redactie – zo bevestigde Walter De Ridder het ook aan Gaston Durnez (Durnez 1981:6) – maar hij had het wel graag gepubliceerd gezien en probeert dit ook meteen te bereiken, of het gedicht nu af is of niet. In reactie op een brief van 17 maart van Daisne, die vraagt naar een vers voor zijn tijdschrift Klaverdrie, antwoordt Elsschot in een brief met een kopie van ‘Borms’: ‘Il importe simplement que je sache si votre revue le publierait si je me décidais à le rendre public. Je suppose que vous pouvez en décider sans avoir à consulter préalablement quelque Grand Conseil.’ (Elsschot 1993:656). Met ‘votre revue’ wordt hier wel degelijk Klaverdrie bedoeld - en niet het N.V.T zoals Anthierens verkeerdelijk veronderstelt. Met ‘quelque Grand Conseil’ doelt Elsschot natuurlijk op de redactieraad van het N.V.T. In een brief van 28 maart herneemt Daisne zijn redenen voor een weigering, die hij tegenover de ‘Grand Conseil’ al geuit had, met weglating van het feit dat hij vond dat het gedicht van geen exceptionele poëtische waarde is, natuurlijk.

Intussen moet Elsschot al een versie van ‘Borms’ naar Louis Paul Boon gestuurd hebben, met het verzoek of hij zijn pennenvrucht aan hem mocht opdragen. Boon had in 1942, mede op voorspraak van jurylid Elsschot, de Leo J. Kryn-prijs gekregen voor ‘De voorstad groeit’, en sindsdien onderhielden de schrijvers een ‘harde vriendschap’, zoals Boon het noemde (Boon en Elsschot 1989:100). De afwijzing van Elsschots verzoek heeft Elsschot blijkbaar zwaar teleurgesteld, want na Boons fameuze brief van 24 maart 1947 is er geen enkele brief van Elsschot aan Boon bekend. Nochtans legt Boon omstandig uit waarom hij weigert:

(...) Gij hebt moed. Gij durft tegen heel de wereld stroom op te roeien. Dat is zeer mooi van u. Maar besef tevens dat door de schuld van de Bormsen (slachtoffers van de even grote schuldige: de Belgische Staat) zovelen mijner vrienden gestorven zijn in Dachau, in Breendonk, in Buchenwald. (...) Maar ik heb eveneens lak aan die andere dwaasheid: Vlaanderen. Ik heb de mensen lief, en nìet de vaderlanden. En als gij dan de verdediging van Borms onderschrijft, wil ik die samen met u onderschrijven. Maar wat ik niet wil, dat is, termen onderschrijven zoals ‘Vlaanderen’s Eergevoel’, of zoals: ‘het Vlaamse volk dat genoeg gebedeld heeft aan de poort’. (...) Vandaag of morgen zullen zij weer door onze straten trekken met hun leeuwenvlaggen, hun benagelde botten, hun roffelende trommen. Ik wil uw gedicht, aan de mens Borms, onderschrijven. Ik wil het niet aan het symbool Borms: (...). Maar de Regent en de Kardinaal - en ook Borms - haat ik omdat zij symbolen zijn van iets dat de arme man steeds zand in de ogen heeft gestrooid.
(Elsschot 1993: 662-664)
Vlaanderen was voor Elsschot beslist geen dwaasheid. In zijn jonge jaren werden hij en zijn klasgenoten ‘onder den gloeienden blik en het vlammend woord van Pol de Mont op de schoolbanken (...) tot flaminganten (...) hersmeed’ (brief aan Ary Delen in 1948, o.c. 723). Over de naam Yvonne, die het dochtertje van oudste zus Louise gekregen had, schreef hij in 1899 aan zijn zussen Marie en Emma: ‘Ik dacht dat gij nog Vlaamschgezindheid genoeg in het lijf had om het kind met eenen flinken, frisschen Vlaamschen naam te doopen.’ (o.c. 23). Boon leek later dan ook enigszins spijt te hebben gekregen van zijn geruzie met Elsschot. In 1949 verdedigt hij Elsschot naar aanleiding van het vaak verkeerd begrepen ‘Tankschip’: Elsschot had een hekel aan de Duitsers en een aantal kennissen van hem is omgekomen in concentratiekampen, maar ‘zulks belet niet dat Elsschot het niet altijd eens is met de wijze waarop België thans van in vaderlands opzicht ongure elementen wordt gezuiverd’: de grote schuldigen mogen ‘voor zijn part hangen’, maar de meelopers zou men beter ‘een trap tegen hun achterste geven en retour zenden naar hun parochie’. Boon besluit: ‘Vreedzaam en goedertieren als hij is, houdt Elsschot slechts rekening met de ingevingen van zijn gemoed’. (Boon en Elsschot 1989:104-105). Nog in 1976 – zestien jaar na Elsschots dood – schreef Boon: Ook voor mij moest Borms niet doodgeschoten worden, maar moesten er heel wat anderen een ferme schop onder hun kont krijgen. Alleen stoorden me de twee laatste regels van het gedicht... - Maar wij keren terug met wapperende vaan en slaande trom. (...) Later zag ik het gedicht verschijnen en stelde vast dat hij de twee laatste regels dan toch veranderd had... Maar het gedicht was niet meer aan mij opgedragen. (o.c. 111) Wellicht heeft Boon beter de tekst van zijn eigen brief dan die van het gedicht onthouden, want het lijkt mij, gezien de verschillende versies waarover we beschikken, erg onwaarschijnlijk dat er ooit een versie heeft bestaan met die slotverzen.

In een brief van 26 juni 1947 aan de Nederlandse zenuwarts Andries Kaas schrijft Elsschot dat ‘dat verwenschte gedicht’ het feestcomité ter ere van zijn vijfenzestigste verjaardag heeft doen uiteenspatten, dat hij door het gedicht niet verkozen werd tot lid van de Vlaamsche Academie, en dat het hem zeer zeker ‘de Groote Prijs der Vlaamsche Letterkunde’ zou kosten (Elsschot 1993:679). Dit laatste zou gelukkig niet het geval zijn – in 1948 kreeg Elsschot de Staatsprijs voor ‘Het dwaallicht’ – maar hij kon toen niet voorzien dat een ongeautoriseerde en onverwachte publicatie in het rechts-satirische weekblad Rommelpot op 9 april 1949, de huldiging naar aanleiding van deze Staatsprijs, die op 29 mei 1949 gehouden zou worden, zou dwarsbomen.

Hoe het gedicht in Rommelpot terechtgekomen is, is onduidelijk. Enkele weken na Borms’ executie heeft een ‘raar ventje’ – zo herinnert een bediende het zich (Durnez 1981:6) – de versie uit bijlage 2 afgegeven. De reeds vermelde Daniël Merlevede, hoofdredacteur van Rommelpot, getuigde in Durnez’ Bormsdossier dat ze het niet meteen durfden afdrukken, maar dat na verloop van tijd een ‘man van socialistischen huize’, een ‘bekende van Elsschot’, kwam zeggen dat Elsschot verwonderd was dat zijn gedicht nog niet gepubliceerd was (ibidem). Pas drie jaar later werd de inmiddels volkomen voorbijgestreefde versie alsnog gepubliceerd.

Volgens de redacteurs van het weekblad – en volgens cineast Frans Buyens, auteur van een monografie over Elsschot en verfilmer van ‘Het dwaallicht’ (Elsschot 1993:643-645) – was het wel degelijk Elsschot zelf die het gedicht had bezorgd. Ida De Ridder spreekt dit tegen met als enig argument dat haar vader ‘geen raar ventje (was), integendeel, hij was een degelijk gekleed, onopvallend, net burger’ (De Ridder 1994:138). Dit lijkt me een nogal zwak argument omdat op deze manier wel erg veel belang gehecht wordt aan wat een bediende zich ooit meende te herinneren. Bovendien rijst natuurlijk de vraag, wie het zo vroeg al (april-mei 1946) zou kunnen afgegeven hebben, met andere woorden, wie het zo vroeg al bezat? In de briefwisseling is alvast geen enkele brief te vinden waarbij een versie van het gedicht zat, vóór 25 februari 1947. Dit sluit natuurlijk niet uit dat Elsschot toch zijn embryonaal gedicht al aan iemand gaf of toestuurde die het vervolgens zonder diens medeweten aan Rommelpot gaf. Die persoon zou dan echter meteen zijn vriendschap met Elsschot vergooien. Het lijkt mij minstens even plausibel dat Elsschot het gedicht in een impulsieve bui naar Rommelpot heeft gebracht of heeft laten brengen. Dit neemt niet weg dat hij oprecht verontwaardigd was bij de plotse publicatie in 1949, toen hij het gedicht al flink herwerkt én uitgebreid had tot zijn huidige vorm.

De precieze omstandigheden van het gebeuren zullen allicht nooit achterhaald kunnen worden, maar een ding lijkt zeker: Elsschot is opgehouden met het schrijven van novellen en gedichten. Of dit nu werkelijk het gevolg is van de Bormskwestie, is minder zeker: er bestaat immers een onvoltooide roman, waarschijnlijk bedoeld als vervolg op ‘Het tankschip’, waarvan in 1957 een foto verscheen in ‘De Post’ (Elsschot 1993:976-977). Misschien schreef Elsschot gewoon niets literairs meer omdat hij er de inspiratie niet voor vond. In dit verband schrijft Albert Westerlinck dat Elsschot nog slechts een keer of twee in een voorval de mogelijkheid had gezien om erover te schrijven, maar dat het er niet van gekomen is (‘Elsschot was toen reeds door ziekte aangetast’, Westerlinck 1964:194).

3.2 Latere nawerking: ‘De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij’ In haar boek ‘Willem Elsschot, mijn vader’ gaat Ida De Ridder nogal tekeer wanneer ze de Rommelpotpublicatie ziet als een deel van een rechts-katholieke machinatie die erop gericht is haar vader zoveel mogelijk schade toe te brengen. Zo stelt ze weinig genuanceerd dat het katholicisme van die tijd ‘zich kenmerkt door zijn onverdraagzaamheid, zijn despotisme en zijn hypocrisie’ (De Ridder 1994:134). Voorts waren volgens haar alle Vlaamse vrijzinnigen – Elsschot incluis – voorstander van de Grootnederlandse gedachte, en was de ‘geamputeerde’ Rommelpotversie een oproep tot eerherstel, terwijl de integrale tekst ‘een aanklacht is tegen de doodstraf, tegen de medestanders van Borms, die alles stilzwijgend lieten gebeuren, en vooral tegen de Kerk’ (o.c. 134-135). ‘Door bepaalde strofen weg te laten krijgt het gedicht een andere, zelfs tegengestelde inhoud’. (o.c. 138) Nu gaat het hier, zoals al gebleken is, niet om een ‘weglaten’ van strofen: het is erg waarschijnlijk dat deze versie gewoon een heel vroege versie is. Het is wél eigenaardig dat Rommelpot in 1949 nog niets heeft opgevangen over de inmiddels aangebrachte wijzigingen. Toch houdt Daniël Merlevede dit in juni 1992 nog steeds staande: ‘U mag verzekerd zijn: was ons dat sublieme gedicht, dat zo wezenlijk en pregnant de ergernis en fundamentele instelling van Rommelpot deelde, ter kennis en publikatie gebracht, het zonder één iota te wijzigen zou zijn verschenen’ (Anthierens 1992:87-88).

Ida noemt Elsschot zonder meer een ‘atheïst en antiklerikaal’. Volgens mij was Elsschot, gezien zijn enorme bijbelkennis, zijn bespiegelingen in ‘Het dwaallicht’ en zijn vriendschap met enkele priesters (bv. Albert Westerlinck), veeleer agnosticus dan atheïst en zeker niet antiklerikaal. Bovendien roept de definitieve versie m.i., net als de oudste, enigszins op tot eerherstel, al is dit niet de belangrijkste inhoud: in de opdracht is van Borms geen sprake meer. Ida De Ridder probeert Elsschot in een strak vrijzinnig pak te stoppen door het gedicht te lezen als een aanklacht tegen de doodstraf – wat ik er niet meteen in zie – en tegen de Kerk – waarbij ze vrolijk vergeet dat het gedicht evenzeer een aanklacht is tegen de Staat.

Interessanter wordt het wanneer Ida de redenen van Elsschots verbolgenheid opsomt. Volgens haar was hij om te beginnen boos omdat hij niet op de hoogte was van het verschijnen, ten tweede omdat zijn gedicht ontzield was en ten slotte omdat het niet in een literair, maar in een politiek tijdschrift verschenen was. Zijn eerste reactie was, nog steeds volgens Ida, om de redactie van Rommelpot voor het gerecht te dagen, maar

een rechtsgeding zou veel deining veroorzaken en zou de naam ‘Elsschot’ voor de rest van zijn leven verbinden aan de zakenman De Ridder. (...) Als Rommelpot erin geslaagd was Elsschot te nekken, tot daaraan toe. De naam ‘De Ridder’ moest ongerept blijven. (De Ridder 1994: 137) Johan Anthierens zit met het Bormsgedicht van de door hem zo bewonderde en bewierookte Elsschot erg verveeld, maar zijn ‘hoge woord dat u met het Borms-gedicht fout zat’ moest eruit (Anthierens 1992:166). In het geval Van der Lubbe reageerde u als humanist, in het geval Borms als een een keer te veel door de Belgische staat getreiterde Vlaming. Maar u bent in dat gedicht man en volk gaan idealiseren, en dat was beneden uw intellectuele zwaartekracht. U, zittend anarchist, weet beter. Idealisten zijn mensen die naar het Schone reiken en daarbij vaak Schade aanrichten. Als zij dit niet inzien, en de meesten willen niet, verkleint de stap van idealist naar booswicht. (…) Dit moést mij uit de pen omdat vandaag nog rechts Vlaanderen uw Borms-hommage als een icoon in zijn processies ronddraagt. Ik weet dat een moedig man zich niets aantrekt van bijval van de overkant, maar in dit specifieke geval hebt u zich ontpopt als de voorzanger van een koor verongelijkten met lijken in hun kast. (o.c. 166-167) Ook Anthierens heeft het moeilijk om te aanvaarden dat er staat wat er staat, en ziet Elsschot liever als humanist en anarchist dan als flamingant optreden. Marc Reynebeau schreef in juni 1992 een intelligente reactie op de visie van De Ridder en Anthierens. Hun boeken waren nog niet verschenen, maar Ida liet toen ‘cahiers’ met herinneringen aan Elsschot verschijnen in Markant, ingeleid door Anthierens. Opvallend is echter dat zowel Ida de Ridder als Johan Anthierens Elsschot ideologisch sterker willen profileren en zelfs herpositioneren, als een uitgesproken linkse antiklerikaal. (…) Zij proppen Elsschot in een te strak politiek stramien van wat zij zich voorstellen van hoe de goedgekeurde linkse vrijzinnige zich moet gedragen, onder meer dat hij niets met het per se filofascistisch geachte flamingantisme te maken mag hebben (…). Dat is een visie die op een wezenlijke burger-anarchist als Elsschot niet van toepassing kan zijn. Hij bepaalde zelf zijn engagement en voelde zich niet verplicht om tegenover wie dan ook politiek rekenschap af te leggen, niet tegenover zijn tijdgenoten en evenmin tegenover zijn biografen of memorialisten. (Reynebeau 1992:112-113) Het weze opgemerkt dat Anthierens zich in zijn boek wel aansluit bij deze laatste zin.

Tot slot zou ik willen proberen om Elsschots houding, door Reynebeau m.i. al enigszins aangegeven, wat nader te bepalen. Eerst en vooral wijs ik er – wellicht ten overvloede – nog even op dat Elsschot beslist niet Duitsgezind was. Bekende anekdotes in dit verband zijn de terugvordering door Elsschot van een piano van een joodse vriend van Ida, door hem in bewaring gehouden maar door de Duitsers in beslag genomen, en zijn poging om de Duitse jodin Esther aan een verblijfsvergunning te helpen door haar bij hem in te schrijven als dienstmeisje (zie De Ridder 1994:109-117).

Wat bracht Elsschot er dan toe om ‘Borms’ te schrijven? Het moet een ‘onberedeneerde innerlijke drang’ (Elsschot 1993:790) geweest zijn, ontstaan uit een diepgewortelde verontwaardiging, want

in kunst mag niet geprobeerd worden. Probeer niet te schelden als gij niet toornig zijt, niet te schreien als uw ziel droog staat, niet te juichen zolang gij niet vol zijt van vreugde. Men kan proberen een brood te bakken, maar men probeert geen schepping. Men probeert ook niet te baren. Waar zwangerschap bestaat volgt het baren vanzelf, ten gepasten tijde. (uit de inleiding tot ‘Kaas’, Elsschot 1992:427) Elsschot benadrukt in zijn briefwisseling nogal eenzijdig de ‘lyrische waarde’ van het gedicht. Toch had hij het in zijn brief aan Georges Kelner over een ‘poème politique’, en dat is het inhoudelijk ook onvermijdelijk. De ‘ondervinding’ waar hij het in een brief aan Frans Buyens uit 1950 heeft, slaat allicht vooral op ‘Borms’: Naar de vorm weet ik, bij ondervinding, dat het zéér moeilijk is politieke of wijsgerige ideeën in een behoorlijke vorm te gieten, vooral wanneer men het in rijmende verzen doen wil. (Elsschot 1993:795) Ook inhoudelijk lijkt Elsschot alleen rekening te houden met de ‘ingevingen van zijn gemoed’, zoals Boon het omschreef (Boon en Elsschot 1989:105). Hierbij gaat Reynebeau ervan uit dat het Elsschot niet te doen was om ‘complaisance met collaborateurs’, maar om een principieel protest van een ‘burger-anarchist’ tegen de ‘arrogante staatsmacht’ die zich het recht toe-eigent mensen te executeren. Nu besefte Elsschot heus wel hoe controversieel het was uitgerekend Borms als onderwerp van protest te nemen. Dat hij er niet voor terugschrikt over Borms te schrijven, kan begrepen worden als we niet uitgaan van de links-rechtsverhoudingen waar we nu zo vertrouwd mee zijn. Deze tweedeling dateert namelijk pas van de Tweede Wereldoorlog. Ze hoefde niet per definitie op te gaan voor iemand met een politieke voorgeschiedenis als Elsschot. Twintig jaar tevoren, kort na de Eerste Wereldoorlog, zag het fundamentele politieke antagonisme voor iemand als hij (…) er heel anders uit. Zij zagen de toen dominante tweespalt als die tussen enerzijds het ‘geestloze’, hypocriete materialisme van de gevestigde, conservatieve en Franstalige burgerij en anderzijds het revolutionair bedoelde idealisme van de Vlaamse jongeren. (…) Voor die jongeren behoorde ook het Vlaamse nationalisme tot dat revolutionaire kamp, omdat het een stroming was die zich keerde tegen de onderdrukkende, burgerlijke Belgische staat. (Reynebeau 1996:46-47) In dit kader lijken de schaarse politiek getinte publicaties van Elsschot te passen – ook het ongepubliceerde gedicht voor Edgar Boonen en de beruchte hulde aan Cyriel Verschaeve, geschreven op verzoek van de (toen weliswaar nog niet zo verdachte) Karel Dillen (cf. Brouwers 1996). Doorgaans hield Elsschot zich in het openbaar echter ver van politiek, zoals blijkt uit zijn ‘Brief aan mijn zoon’ uit 1939: Niet doen als Jan Breydel, Borluut, Piet Hein en De Ruyter, maar het hoofd intrekken zoals de verstandige schildpad doet wanneer zij onraad ruikt. (…) De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij. (…) Als een vloedgolf heeft de politiek al het overige weggespoeld en wie durft te zeggen dat, goddank, de zon toch nog schijnt, die wordt aangegaapt als een restant uit het stenen tijdperk. (Elsschot 1979:77-80)
  4 Besluit
Het gedicht Borms is in de loop van zijn ontstaansgeschiedenis qua toon wat afgezwakt, maar naar politiek geladen inhoud is het versterkt. Bij het verspreid raken van het gedicht bleken nogal wat literatoren bang te zijn om met dit gedicht en zijn auteur geassocieerd te worden, of het oprecht oneens te zijn met Elsschot – zoals bijvoorbeeld Boon. Elsschot minimaliseerde bijgevolg enigszins de inhoud door de lyrische waarde te benadrukken, maar hij is zijn gedicht steeds blijven verdedigen, ‘want (…) een gedicht dat uw vrienden van u doet weglopen van kwaadheid, moet wel een verdomd pakkend gedicht zijn’ (geciteerd in Van Aken 1960:332-333). Dit ‘verdomd pakkend gedicht’ lijkt door De Ridder en Anthierens gebruikt te zijn om Elsschot ideologisch strikt te definiëren, maar zo gemakkelijk laat zijn eigenzinnige ongebonden houding zich niet omschrijven. Het laatste woord is er dan ook beslist nog niet over geschreven. 5 Bijlagen
 
  5.1 Bijlage 1: Verschillende versies van het Bormsgedicht in de briefwisseling
Klik hier.
  5.2 Bijlage 2: Twee ‘apocriefe’ versies van het Bormsgedicht Klik hier.  
5.3 Bijlage 3: (a) ‘Borms’ van Willem Elsschot (b) Bewerkte versie
3a: Klik hier.
3b: Klik hier.
  5.4 Bijlage 4: Verwante gedichten Klik hier.   6 Literatuurlijst In de tekst van deze scriptie komen er verwijzingen voor met o.c. en ibidem. Deze verwijzen steeds naar het laatst vermelde werk.
Om correspondenten uit Elsschots briefwisseling te introduceren, werd gebruik gemaakt van de bijlage in Elsschot 1993:1151-1180.
 

Johan Anthierens, Willem Elsschot. Het ridderspoor, Meulenhoff/Kritak, Leuven, 1992

Johan Anthierens, ‘Dat verwenschte gedicht’ in: HP/De Tijd, jg. 22 nr. 15, 12 april 1996, p. 58-61

Anne Baeyens, ‘BORMS, August’ in: Jozef Deleu e.a. (reds.), Encyclopedie van de Vlaamse Beweging 1 (A-L), Uitgeverij Lannoo, Tielt/Utrecht, 1973, p. 217-219

De Bijbel uit de grondtekst vertaald, Katholieke Bijbelstichting, Boxtel, 1981

Louis Paul Boon en Willem Elsschot, Als een onweder bij zomerdag. De briefwisseling tussen Louis Paul Boon en Willem Elsschot, samengesteld door Jos Muyres en Vic van de Reijt, Em. Querido’s Uitgeverij B.V., Amsterdam, 1989

Jos Borré, ‘Gerard Walschaps ‘Aan Borms’.’ in: De Vlaamse Gids, jg. 81 nr. 1, januari-februari 1997, p. 2-8

Jeroen Brouwers, ‘Het Vlaamse vlakgom’ in: De Groene Amsterdammer, jg. 120 nr. 14, 3 april 1996, p. 20-21 (ook op http://www.groene.nl/1996/14/jb_borms.html)

Ida De Ridder, Willem Elsschot, mijn vader, Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 1994

Michel Dupuis, ‘21 januari 1933: Jan Greshoff en Menno ter Braak op bezoek bij Willem Elsschot’ in: M.A. Schenkeveld-Van der Dussen e.a. (reds.), Nederlandse Literatuur, een geschiedenis, Martinus Nijhoff Uitgevers, Groningen, 1993

Gaston Durnez, ‘Elsschot en Borms: solidariteit staat boven ideologie’ in: De Standaard, 28 december 1981, p.6

Willem Elsschot, Zwijgen kan niet verbeterd worden. Ongebundelde teksten, samengesteld door Annemarie Kets-Vree, Loeb & Van der Velden/Baart, Amsterdam/Borsbeek, 1979

Willem Elsschot, Verzameld werk, 14e druk, Em. Querido’s Uitgeverij B.V., Amsterdam, 1992

Willem Elsschot, Brieven, samengesteld door Vic van de Reijt m.m.v. Lidewijde Paris, Em. Querido’s Uitgeverij B.V., Amsterdam, 1993

Marcel Janssens, ‘Willem Elsschot als dichter’ in: Dietsche Warande & Belfort, jg. 127 nr. 10, december 1982, p. 734-751

A.J.F. Kees, Balans 2. Nederlandse literatuurgeschiedenis vanaf 1916, tweede druk, Van Walraven bv, Apeldoorn, 1988

René Felix Lissens, De Vlaamse letterkunde van 1780 tot heden, vierde druk, Elsevier, Brussel/Amsterdam, 1967

Marc Reynebeau, ‘Het is mij van het hart’ in: Knack, jg. 22 nr. 25, 24 juni 1992, p. 112-113

Marc Reynebeau, ‘Heden is het zover’ in: De Vlaamse Gids, jg. 80 nr. 2, maart-april 1996, p. 46-48

Marc Somers, ‘Het Bormsgedicht van Willem Elsschot en het Nieuw Vlaams Tijdschrift’ in: Vlaanderen, jg. XLV nr. 263, november-december 1996, p. 268-273

Piet Van Aken, ‘Elsschot, de benijdenswaardige’ in: Nieuw Vlaams Tijdschrift, jg. 14 nr. 3, 1960-1961, p. 332-333

Joost van den Vondel, De werken van Vondel. Derde deel 1627-1640, Maatschappij voor goede en goedkope lectuur [Wereldbibliotheek], Amsterdam, 1929

Vic Van de Reijt, ‘Al die strofen, dat was een heel karwei. Willem Elsschot en Borms.’ in: De tweede ronde, jg. 8 nr. 3, herfst 1987, p. 172-176

Karel Van Isacker, Mijn land in de kering 1830-1980. Deel 2: De enge ruimte 1914-1980, Uitgeverij De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen/Amsterdam, 1983

Bernard-Frans Van Vlierden, Willem Elsschot, in de reeks Ontmoetingen, 2e druk, Desclée De Brouwer, Brugge, 1960

Simon Vestdijk, ‘De wortelstok der Forumpoëzie’ in: Annemarie Kets-Vree (red.), Over Willem Elsschot. Beschouwingen en interviews, BZZTôH, ‘s-Gravenhage, 1982, p. 74-79

Albert Westerlinck, Alleen en van geen mens gestoord, in de Keurreeks van het Davidsfonds nr. 94, Davidsfonds, Leuven, s.d. [1964]
 
 

7 Inhoudsopgave Klik op het sterretje om "de link te leggen"!
 
0 Inleiding *
1 Context *

1.1 Elsschot als dichter: van wolkendreigendheid tot drek *

1.2 August Borms: ‘in houwe trouwe, u, Vlaanderen, totterdood!’ *

2 Het Bormsgedicht *

2.1 Ontstaan van ‘dat verwenschte gedicht’ *

2.2 Het resultaat: een Oldenbarnevelt op krukken? *

3 Capita selecta uit de waarderingsgeschiedenis*

3.1 Onmiddellijke impact: ‘Al uwe minnaars hebben u vergeten’ *

3.2 Latere nawerking: ‘De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij’ *

4 Besluit *

5 Bijlagen *

5.1 Bijlage 1: Verschillende versies van het Bormsgedicht in de briefwisseling *

5.2 Bijlage 2: Twee ‘apocriefe’ versies van het Bormsgedicht *

5.3 Bijlage 3: (a) ‘Borms’ van Willem Elsschot (b) Bewerkte versie *

5.4 Bijlage 4: Verwante gedichten *

6 Literatuurlijst *

7 Inhoudsopgave *